4
De sparrebossen losten op
in zonderlinge regens.
‘s Nachts kwam hun grond langs
gehuld in een aarden jas
om de slapers te verschrikken.
De grond bonsde op de deuren,
wekte de balladenzangers.
Als zij hun deuren openden
zagen ze nog net de grond
om de straathoek verdwijnen.
Zachtjes, zachtjes als regen
sloop de grond de straten door
zwaaiend met een sparretak:
- Verlossing,
o, verlossing! Geef mij vossen.
Helemaal van slag door ‘t dwalen
over de stadsplattegronden
klopte de grond aan en verdween.
Twijfelend wat te doen
als de toneelheld Hamlet...
In de grond klopt bonzend
een verdrietig hart...
Vernederd sleept de grond zich
als na een verloren duel
over de stenen trottoirs.
Arme, arme grond!
Geen dak om onder te liggen
dan het blauwe lekkende dak,
het naaldenregenend plafond.
Beuk en linde in ‘t houtvuur.
Gasbuizen als luitsnaren
om zijn schouder, tokkelend
op een oliedruppelend motorblok
zwerft de grond radeloos rond,
‘Lief mos ik wil naar huis’
bedenkt geen rondeel om te klagen.
Oud gereedschap huilt niet in het donker.
Kenmerkend voor een gedicht als ‘Een ui’ is het haast onbegrensde vermogen tot metamorfose: met een vanzelfsprekend gemak neemt het ‘ik’ de gestalte aan van een kalf bij de uier, van een ui onder het mes, of zelfs van plassen die langs het trottoir drijven.
Dat fascineert mij. Niet omdat het iets nieuws zou zijn; integendeel - het is eerder traditioneel te noemen dat het dichterlijk ‘ik’ zich identificeert met wat-het-maar-wil. Maar dat expansieve ‘ik’ is al sinds lang een beetje in onbruik geraakt. De dichter heeft zich, als hij het woord ‘ik’ nog gebruikt, bescheiden teruggetrokken in zijn eigen vel. Zo niet Ter Balkt. Hij is helemaal geen typische ik-dichter, en wellicht kan hij het juist daarom onbekommerd inzetten waar hij wil: zijn ‘ik’ blaast zich niet op, noch sluit het zich op - het verkeert vrij met de dingen.
In andere gedichten voert hij de dingen sprekend op, zoals in ‘De akker-distel’ en in ‘Ikoon van de nachtschade’ (beide in Groenboek), of in ‘Ik, steen uit de zee’ (Uier van t oosten), waar een in onbruik geraakte steen zijn verhaal vertelt en de zee in zichzelf terugvindt in de vorm van een schelp. - En niet zelden spreekt hij de dingen toe, moedigt ze aan, jut ze op: ‘bijl, hak! akkers, bezing mij!/ Hooivork, vlieg, haal de valk neer.’ (‘Van de meekrap-akker I’, in Uier van t oosten).
Zijn poëzie getuigt, kortom, van een grote vertrouwdheid met, en een minimale distantie tot de dingen. Hij is voortdurend met ze in gesprek. En dit in-gesprek-zijn met de dingen is in zijn geval meer dan een metafoor: dat bewijst de frequentie waarmee zulke vocatieven en adhortatieven, en vooral ook personificaties in alle mogelijke varianten voorkomen. Zijn poëzie fungeert als het medium waardoor hij in contact treedt met de wereld van de dingen. Hij leeft ermee en ze leven voor hem.
Er is in de huidige Nederlandse poëzie geen dichter te vinden die zo veelvuldig, zo gemakkelijk en zo gedurfd personifieert als Ter Balkt (of het zou Leo Vroman moeten zijn). Ook al heeft het personifiëren diepe wortels in het alledaags taalgebruik, en zal het daarom wel nooit helemaal verdwijnen uit de poëzie, toch kom je in de hedendaagse poëzie betrekkelijk weinig nadrukkelijke personificaties tegen. Daarom vallen ze bij een dichter als Ter Balkt des te sterker op. Wie bij Ter Balkt alle personificaties weg zou willen strepen houdt nog geen kwart van zijn poëzie over, vrees ik. En erger nog: wat er ook overblijft, het hart zal eraan ontbreken. Want het personifiëren is hier veel meer dan een willekeurige literaire stijlfiguur. Het drukt een manier van leven, een manier van kijken, van denken en van voelen uit. Het is of hij op voet van gelijkheid leeft met alles om hem heen. In zijn poëzie krijgen de dingen - zelfs de meest vormeloze - als vanzelf de gestalte van personages, van dramatis personae. Neem bijvoorbeeld ‘Grond’, uit Hemellichten:
GROND
De sparrebossen losten op
in zonderlinge regens.
‘s Nachts kwam hun grond langs
gehuld in een aarden jas
om de slapers te verschrikken.
De grond bonsde op de deuren,
wekte de balladenzangers.
Als zij hun deuren openden
zagen ze nog net de grond
om de straathoek verdwijnen.
Zachtjes, zachtjes als regen
sloop de grond de straten door
zwaaiend met een sparretak:
- Verlossing,
o, verlossing! Geef mij vossen.
Helemaal van slag door ‘t dwalen
over de stadsplattegronden
klopte de grond aan en verdween.
Twijfelend wat te doen
als de toneelheld Hamlet...
In de grond klopt bonzend
een verdrietig hart...
Vernederd sleept de grond zich
als na een verloren duel
over de stenen trottoirs.
Arme, arme grond!
Geen dak om onder te liggen
dan het blauwe lekkende dak,
het naaldenregenend plafond.
Beuk en linde in ‘t houtvuur.
Gasbuizen als luitsnaren
om zijn schouder, tokkelend
op een oliedruppelend motorblok
zwerft de grond radeloos rond,
‘Lief mos ik wil naar huis’
De grond als een ontheemde zwerver: er is geen plaats voor de grond - een frappante paradox, die tot nadenken stemt. En een verbluffend geval van personificatie. Zoals ook, om nog een voorbeeld te noemen, het geval van de zingende hoefijzers van de paarden van Desiderius Erasmus, in Aardes deuren. En het zou weinig moeite kosten deze voorbeelden aan te vullen met een hele rij andere.
Je kunt personifiëren op verschillende manieren: door dingen sprekend op te voeren, door ze menselijke gedachten of eigenschappen toe te dichten, en ook door ze handelend op te laten treden. Ter Balkt doet het op alle mogelijke manieren, en doordat hij allerlei werkwoorden die een specifiek menselijk handelen uitdrukken even makkelijk uitleent aan dingen, planten of dieren, weeft hij met zijn taal een wereld waarin alles bezield is en alles met alles communiceert.
De grond, in het bovenstaand gedicht, bonst op deuren, spreekt en twijfelt zelfs ‘als de toneelheld Hamlet’. De bloedzuiger in het gelijknamige gedicht (in Uier van t oosten) beschrijft hij als een ‘anonymus van de bossen, onvindbaar kamperend/ zijn lege rugzak troosteloos naast de eikel’. En in het titelgedicht van Oud gereedschap mensheid moe heet het:
Oud gereedschap ver van huis
bedenkt geen rondeel om te klagen.
Oud gereedschap huilt niet in het donker.
Zo roepen zijn gedichten niet zelden de sfeer op van oude sagen, sprookjes of fabels, waarin personificaties heel gewoon zijn. Door deze personifiërende procédés krijgen de dingen een gestiek en een dynamiek die ze niet echt vermenselijken, maar ze toch op de een of andere manier vertrouwd maken.
In dit stijlverschijnsel klopt het hart van Ter Balkts poëzie: het getuigt van een verbondenheid met de dingen die ons langzamerhand vreemd is geworden en die niettemin in deze poëzie overtuigend gestalte krijgt.
In zijn essay ‘Der Beruf des Dichters’ (in Das Gewissen der Worte, 1976) noemt Canetti als het belangrijkste kenmerk van een werkelijk dichterschap dat de dichter een ‘hoeder van de metamorfosen’ is. Hij beschikt over een vermogen dat volgens Canetti aan het uitsterven is, namelijk het vermogen tot gedaanteverwisseling. Hij kan zich ‘inleven’ in alles ter wereld - en het is zijn plicht dat te doen en zoveel mogelijk gestalten en verschijningen in zich op te nemen.
Canetti ziet met name de oude mythen als de kroongetuigen voor dit oeroude en fundamentele menselijke vermogen. En hij verbindt het met het gevoel van verantwoordelijkheid dat de dichter volgens hem moet kenmerken: tegenover het erfgoed van de oude mythen enerzijds, maar ook tegenover de wereld waarin hij leeft.
Het boeiende van deze opvatting is dat ze het dichterschap in een veel ruimer kader interpreteert dan doorgaans het geval is. Ze gaat volkomen voorbij aan de gangbare (literaire) opvattingen over het dichterschap in engere zin - de dichter als maker, als taalingenieur etc. - en definieert het in de eerste plaats als een levenshouding, met sociale en morele implicaties. Het is een opvatting die niet uitgaat van de taal, maar van een zo mogelijk nog fundamenteler gegeven: de beweeglijkheid van de menselijke geest, die aan de basis ligt van onze kennis van, en onze betrokkenheid bij, de wereld. Ik denk dat de figuur van Ter Balkt en de waarde van zijn poëzie vanuit een dergelijke opvatting van het dichterschap nog het best te benaderen zijn. Ik noemde hem al een ‘sjamaan’, en met de opvatting van Canetti in het achterhoofd krijgt dat woord hier zijn betekenis: het is inderdaad een pre-rationele kennishouding, een absoluut ongekunstelde betrokkenheid, waaruit de poëzie van Ter Balkt opwelt.
Hij is een dichter die het niet in de eerste plaats moet hebben van zijn verstechniek maar van zijn beelden, van de verbeelding waarmee hij de dingen bezielt. Zijn werk herinnert er nog eens aan dat dichterschap niet in de eerste plaats iets literairs is, maar te maken heeft met een manier van leven, een houding - wat het tegendeel is van een pose.