3.3 Thematisch overzicht van Nederlandse leenwoorden

Wat voor soort woorden hebben de Noord-Amerikaanse indianen overgenomen van de Nederlanders? Het gaat, zo blijkt, om duidelijk omlijnde betekenisvelden (de begrippen zijn vet en tussen aanhalingstekens gezet). Veel van de Nederlandse leenwoorden komen bovendien in meerdere indianentalen voor. Voor een precieze opsomming van de overgenomen woorden en verdere informatie, zie het alfabetische overzicht in 3.4.

Voedingsmiddelen

In de negentiende eeuw werden indianen vooral in Engeland vaak commercieel gerelateerd aan het gebruik van tabak en snuif (bron: Graphic ornaments, Amsterdam 2007)

Het grootste aantal woorden betreft de namen voor voedingsmiddelen die in het nieuwe continent onbekend waren en door de Nederlanders zijn geïntroduceerd. Het gaat om in totaal vijftien woorden. Zo zijn de volgende namen voor gewassen overgenomen in indianentalen: ‘appel’ (overgenomen door Loup, Mahican, Mohegan-Pequot, Munsee en Unami Delaware), ‘komkommer’ (overgenomen door Loup, Mahican, Munsee en Unami Delaware), ‘kool’ (overgenomen door Mahican), ‘perzik’ (overgenomen door Mahican, Munsee en Unami Delaware), ‘sla’ (overgenomen door Munsee Delaware), ‘vlas’ (overgenomen door Mahican) en ‘watermeloen’ (overgenomen door Loup en Munsee Delaware). Een aantal van de genoemde planten gingen de indianen zelf verbouwen, onder andere komkommers, kool en watermeloenen. Het Amerikaans Engels heeft overigens coleslaw ontleend aan het Nederlands (zie 2.1).

afbeelding

Illustratie 3.4 – Een pijprokende indiaan.

Ook zuivelproducten waren nieuw – logisch, want op het Amerikaanse continent zijn koeien en het houden van gedomesticeerd vee door de Europeanen geïntroduceerd. ‘Boter’ is overgenomen door Loup, Mahican, Munsee en Unami Delaware en ‘melk’ door Munsee Delaware. Het typisch Nederlandse gerecht ‘pannenkoek’, vervaardigd van onder andere melk, eieren en boter, was voor de indianen nieuw; de naam ervoor is geleend door Loup, Munsee Delaware en Western Abnaki. Het woord is ook bekend in het Amerikaans-Engels (zie 2.1).

De Nederlanders brachten hun voedsel op smaak met specerijen, suiker en zout en verhandelden deze producten ook met de indianen. De Nederlandse woorden voor ‘peper’ en ‘suiker’ zijn geleend door Munsee en Unami Delaware, en het woord voor ‘zout’ is geleend door Loup en Mahican.

De laatste twee woorden in de categorie ‘voedingsmiddelen’ zijn eerder genotsmiddelen. De Europeanen introduceerden de sterkedrank als betaalmiddel en als smeermiddel bij onderhandelingen; voor de indianen was dit ‘vuurwater’ tot dan onbekend. De Nederlandse autoriteiten en de indianenopperhoofden hadden overigens afgesproken dat er geen sterkedrank mocht worden verkocht aan de indianen, maar daar trok niet iedereen zich wat van aan. Het Delaware Jargon en het Mahican hebben dan ook het woord voor ‘brandewijn’ uit het Nederlands geleend. Overigens is ook het Engelse brandy in deze periode ontleend aan het Nederlandse brandewijn. In het Engels is brand-wine in 1622 aangetroffen, al in 1657 verkort tot brandy (zie ook 2.1). Het laatste leenwoord in deze categorie is het woord ‘snuif’ voor ‘fijngemalen, prikkelende tabak om op te snuiven’, overgenomen door het Mahicaans. Dit leenwoord is opmerkelijk, want tabak was in Europa onbekend en men had het juist uit Amerika leren kennen. Voor de Mahicanen was het gebruik om fijngemalen tabak op te snuiven kennelijk nieuw.

Huisraad en gereedschap

Op de tweede plaats, met dertien leenwoorden, staan allerlei benamingen voor huisraad en gereedschap. Opvallend is dat ook het Amerikaans-Engels veel van dit soort woorden heeft overgenomen, zo bleek in hoofdstuk 2, zij het andere dan de indianentalen. In de indianentalen vinden we aan namen voor huisraad: ‘bed’ (overgenomen door Mohegan-Pequot), ‘fles’ (overgenomen door Loup en Mahican), ‘kan’ (overgenomen door Mahican), ‘kist’ (overgenomen door Munsee Delaware), ‘mand’ (overgenomen door Mohegan-Pequot), ‘pan’ (overgenomen door Munsee Delaware), ‘pinnetje’ (overgenomen door Munsee Delaware) en ‘zak’ (overgenomen door Munsee Delaware). De volgende gereedschapsnamen zijn geleend: ‘hamer’ (overgenomen door Munsee Delaware), ‘mes’ (overgenomen door Loup in de betekenis ‘ijzer’), ‘moker’ (overgenomen door Munsee en Unami Delaware), ‘schop’ (overgenomen door Munsee Delaware) en ‘zweep’ (overgenomen door Munsee Delaware).

Dierennamen

Op de derde plaats, met zeven leenwoorden, staan de namen voor vee en huisdieren die door de Nederlanders meegenomen zijn: ‘kalkoen’ (overgenomen door MoheganPequot), ‘kip’ (overgenomen door Loup, Mahican, Mohawk en Munsee Delaware), ‘varken’ (overgenomen door Munsee Delaware), ‘koe’ (overgenomen door Loup, Mahican en Munsee Delaware), ‘schaap’ (overgenomen door Mahican en Munsee Delaware), ‘pauw’ (overgenomen door Munsee Delaware) en ‘poes’ (overgenomen door Loup, Mahican, Mohawk, Mohegan-Pequot, Munsee en Unami Delaware). Door de introductie van vee en huisdieren gingen de indianen hun leefwijze veranderen: zo gingen zij varkens en kippen houden. Het Nederlandse vee leidde echter ook regelmatig tot conflicten: koeien dwaalden af naar korenvelden van indianen en veroorzaakten daar grote schade. Soms doodden de indianen het vee dan, wat weer leidde tot schadeclaims van Nederlandse boeren.

Geld en maateenheden

Op de vierde plaats staan woorden voor geld en maateenheden. Als betaalmiddel gebruikten de indianen wampum (een streng witte schelpen) of sewant (een streng donkere schelpen), of zij ruilden artikelen. Van de kolonisten leerden zij Europese munteenheden en maateenheden kennen, en daarbij namen ze soms de Nederlandse namen hiervoor over.

afbeelding

Illustratie 3.5 – Mondharp (bron: detail uit een gravure naar het schilderij ‘Het zottenfeest’ van Pieter Breughel de oudere)

Zo zijn de volgende Nederlandse woorden geleend: ‘gulden’ (overgenomen door Delaware Jargon), ‘halfanker’, de naam van een oude inhoudsmaat en de standaardmaat waarin sterkedrank werd verhandeld (overgenomen door Munsee Delaware), ‘pond’ (overgenomen door Munsee en Unami Delaware, met de betekenis ‘wegen’); ‘stuiver’ (overgenomen door Delaware Jargon) en ‘zilver’ (overgenomen door Loup, Mahican en Munsee Delaware en zowel gebruikt voor ‘zilver’ als voor ‘geld’). Ook in het Amerikaans-Engels zijn enkele woorden op dit terrein uit het Nederlands overgenomen, onder andere anker, gulden en stiver (zie 2.10).

Kleding

Op de vijfde plaats staan woorden voor kledingstukken of onderdelen daarvan. De Nederlandse manier van kleden was nieuw voor de indianen: zowel het materiaal (wol, katoen en dergelijke) als de kledingstukken zelf. Al snel gingen de indianen hemden dragen. De volgende namen voor kledingstukken zijn geleend uit het Nederlands: ‘broek’ (overgenomen door Munsee Delaware), ‘hemd’ (overgenomen door Mahican, Munsee en Unami Delaware), ‘katoen’ (overgenomen door Munsee Delaware), ‘knoop’ (overgenomen door Munsee en Unami Delaware) en ‘want’ (overgenomen door Munsee Delaware). In 2.13 bleek dat ook het Nederlandse duffel, door het Amerikaans-Engels overgenomen als duffle, een geliefd handelsproduct was, maar de naam hiervan is vooralsnog niet in een indianentaal aangetroffen.

Overige categorieën

De overige categorieën zijn slechts klein. Zo zijn er twee Nederlandse namen voor muziekinstrumenten geleend: ‘mondharp’ (overgenomen door Munsee Delaware) en ‘viool’ (overgenomen door Mahican en Munsee Delaware).

In een tijd dat er geen televisie of radio bestond, hield men zich in zijn vrije tijd vooral onledig met kaarten, vaak om geld. En de indianen namen die gewoonte over, samen met de begrippen ervoor: ‘schoppen’ is overgenomen door Loup, en Munsee en Unami Delaware, en betekent in die talen ‘speelkaarten’ in het algemeen; in het Unami Delaware is van dit woord ook een werkwoord afgeleid met de betekenis ‘gokken’. Nog in 1970 en 1976 hebben onderzoekers in Noordoost-Oklahoma aan enkele Unami Delaware-sprekers de namen voor speelkaarten gevraagd, en daarbij bleek dat zij uit het Nederlands behalve de naam voor ‘schoppen’ ook nog de begrippen ‘harten’, ‘ruiten’ en ‘klaver’ kenden.

afbeelding

Illustratie 3.6 – Een Mohawk, met op de achtergrond indiaanse dorpen (bron: Johannes Megapolensis, Kort ontwerp, 1644: 15)

De indeling van een week met zeven dagen was typisch Europees. In Mohegan-Pequot zijn alle namen voor de weekdagen (‘maandag’, ‘dinsdag’ etc.) overgenomen uit het Nederlands. Ook de manier waarop de Nederlanders het begin van een nieuw jaar vierden, was nieuw voor de indianen, vandaar dat het Nederlandse woord voor ‘Nieuwjaar’ werd geleend door Munsee Delaware.

Tot slot hebben de indianentalen een klein aantal woorden overgenomen uit het Nederlands die op enigerlei wijze de Nederlandse samenleving of cultuur weerspiegelen. De indrukwekkende versterking Fort Amsterdam leidde tot de overname van het woord voor ‘kasteel’ (overgenomen door het Mahican voor ‘het Nederlandse fort’). Er werd een aantal beroepsnamen of persoonsbenamingen overgenomen: ‘smid’ (overgenomen door Munsee en Unami Delaware), ‘Fransman’ (overgenomen door Munsee en Unami Delaware), ‘bisschop’ (overgenomen door Mahican) en ‘gemeente’ ‘kerkgemeente’ (overgenomen door Mahican) – de laatste twee begrippen hadden betrekking op de, voor de indianen onbekende, kerkelijke organisatie. Het woord voor ‘koning’ is misschien overgenomen door het Mohegan-Pequot, waar kunnung ‘hoofd’ betekent – de betekenis zal dan overgedragen zijn via die van koning als ‘hoofd’ van de mensen. Lezen en schrijven waren nieuw voor de indianen, en zij leenden dan ook de Nederlandse begrippen ‘lezen’ (overgenomen door Mahican) en ‘papier’ (overgenomen door Munsee en Unami Delaware).

Er is wel gesuggereerd dat Mohegan-Pequot piskut ontleend is aan Nederlands ‘penis’, maar alleen al vanwege het feit dat dit op geen enkele wijze past binnen de soort woorden die verder door de indianen zijn overgenomen, lijkt dit minder waarschijnlijk. Ook de klank van het woord zou dan wel erg verbasterd zijn. Wél zeker is dat de naam van Arendt van Corlaer nog voortleeft in het moderne Irokees in Canada. Van Corlaer stichtte in 1662 de kolonie Schenectady aan de oevers van de Mohawk River. Zijn naam is in het Irokees verbasterd tot Kora, een woord dat gebruikt wordt als titel van de gouverneur of van de koning van Engeland.