bakkes, ook bakkie, baks, bax, bah, akkes, akkie, akkes bakkes, gebruikt voor iets weerzinwekkends, uitroep van afkeer of walging; vaak gebruikt als waarschuwing tegen kinderen (DARE).
– Van de Nederlandse uitroepen van afschuw bah, akkie bakkie en dergelijke; overgenomen in de negentiende of twintigste eeuw en regionaal nog in gebruik.
* Het Standaardnederlands kent verschillende uitroepen van afschuw, zoals bah!, jakkes!, jakkie!, ajakkes!, ajakkie!, ajakkert!, ajasses!, ajesses! Hoewel in geen enkel Nederlands woordenboek vermeld, komen akkiebakkie en jakkiebakkie in kindertaal veel voor. Bah kan ook als zelfstandig naamwoord worden gebruikt, met name tegen kinderen: een bah doen ‘poepen’, kijk uit voor die bah ‘kijk uit voor die viezigheid’. Niet alle in het Amerikaans-Engels genoemde varianten staan in Nederlandse woordenboeken, maar dat zegt niet veel: dergelijke spreektaalvormen worden notoir slecht beschreven in woordenboeken, en in de spreektaal kan er vrijelijk op worden geassocieerd. Het is dus mogelijk dat sommige varianten in het Amerikaans-Engels zijn ontstaan uit Nederlandse vormen zoals bah, jakkes en dergelijke, maar het is eveneens goed denkbaar dat ze ook in de Europese Nederlandse spreektaal voorkwamen of voorkomen. Ze zullen afkomstig zijn van Nederlanders die in de negentiende en twintigste eeuw naar de VS zijn geëmigreerd. Zie de instructieve citaten uit DARE.
1982 My students confirm that bakkes, bah and akkes are all used to describe filth. The forms akkie and bakkie are also very common, as is the combination akkes bakkes.
The students who know and use these words are from Dutch backgrounds in Lynden, WA; Bellflower, CA; Denver, CO; Sioux Co., IA; Pella, IA; Grand Rapids, MI; Whitinsville, MA; and Paterson, NJ.
1982 Bakkes is used as an adjective or as an expression of disgust or revulsion. I use bakkie in the same way – so do my kids. Not too long ago, Joel came into the house and said, “I just stepped in something bakkie.” A shorter form, baks or bax, is used only as an exclamation. My German grandfather always used it, but I assumed that it was a form of our Dutch word. He’d say “Baks!” to warn a child away from something the kid was messing in, but he’d also use it to warn his dog.
1982 I recently caught myself warning my daughter that something was “bakkie”. Since then I’ve talked to a lot of Dutch people back in Holland and Grand Rapids about it; most of them know “bakkie” as an adjective and “bakkes” as an exclamation for something unpleasantly dirty or repulsive. The words are used most often in referring to food or excrement, and usually they’re spoken to children.
En onder het zelfstandig naamwoord bakkie:
1982 When the first vowel in bakkie is long, the word is specifically a noun meaning excrement: “I want to take a bakkie.” When the vowel is shorter, the word is an adjective. Then it doesn’t necessarily refer to biological elimination but can refer to anything filthy or distasteful, including spoiled soup or rancid butter.
hoople, grote houten of ijzeren ring als kinderspeeltuig (Craigie, DARE, Webster).
– Van Nederlands hoepel; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en regionaal nog in gebruik.
* Hoepelen, spelen met een hoepel, is een bekend Nederlands kinderspel dat in het Brits-Engels wordt aangeduid met (play with a) hoop. In het Amerikaans-Engels is het Nederlandse woord overgenomen, ook als hoople wheel of hoopel. Volgens DARE geldt het woord tegenwoordig als verouderd.
1848 Hoople. (Dutch, hoepel.) The boys in the city of New York still retain the Dutch name hoople for a hoop. (Bartlett)
1872 Boys … were … ignorant of … [the] meaning … of the word hoople, by which they called their trundling hoops, and which they little suspected they owed to the hoeple of Dutch ancestors. (Schele de Vere)
1902 Hoople (Dutch hoepel).
A common term, amongst New-York boys, for a trundling hoop. (Clapin)
1907 Master Aldrich in his ‘hoople’ days.
1957 A hoop of iron prodded on with a stick [is called] “hoople wheels” in Iowa.

Illustratie 2.53 – Hoople (bron: Kroniek van de Kempen, Frans Hoppenbrouwers et al., Kempen Pers, Hapert, 1991)
– Ontleend aan Nederlands honk; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog bekend.
* Honk, in dialecten en in het Fries ook hunk, roepen Nederlandse kinderen bij hun spel als zij ‘vrijplaats, meet of doel’ bedoelen. In verschillende bronnen van amerikanismen wordt dit Nederlandse woord vermeld. In het regionale Amerikaans-Engels is het nog bekend in New York, maar verouderd, aldus DARE.
1848 Hunk. (Dutch, honk.) A goal, or place of refuge. A word much used by New York boys in their play.
1889 Hunk … In tag and other games, the goal; home: as, to reach hunk. On hunk; at the goal. [Local, New York.]
1968 (The place where the player who is ‘it’ has to wait and count) Honk. (DARE) Het woord hunk heeft in de VS een eigen ontwikkeling doorgemaakt. Van het zelfstandige naamwoord hunk werden namelijk de bijvoeglijke naamwoorden hunk en hunky afgeleid, bekend vanaf 1843, met de betekenis ‘in orde, prima’.
Die betekenis ligt voor de hand: to be hunk betekende letterlijk ‘het doel bereikt hebben zonder door de tegenpartij te zijn onderschept’, ofwel ‘veilig zijn, in orde zijn’. Clapin geeft als voorbeelden:
1902 Hunk (Dutch honk, place, post, home). The goal, or home, in a child’s game. Especially used by New-York boys … also hunky, hunkey, meaning very fine, tip-top, good, jolly, and to be hunky, or all hunky, to be all right.
Farmer vermeldt als afleiding van hunk:
1889 Hunkers or Old Hunkers – Also derived from the Dutch honk.
A local political term, originating in New York in 1844, to designate the Conservative Democrats as opposed to the Young democracy or Barn Burners … The Hunkers themselves clung to the homestead or old principles, but unkind critics insisted that it rather meant a clinging to a large hunk of the spoils of office.
Helemaal zeker is de herkomst van dit hunker niet. Mathews volgt Farmer, maar in ondere andere de New World Encyclopedia wordt beweerd dat de term hunker was afgeleid van iemand die ‘hunkert’ (in het Engels hunkers of hankers) naar een politiek ambt. Ook de naam Barnburners die Farmer vermeldt, blijkt Nederlandse wortels te hebben.
Niet alleen doordat de partij geleid werd door de eerste president van Nederlands-Amerikaanse afkomst: Martin van Buren (zie OK onder hook in 2.5), maar ook door de motivatie van de naamgeving, die door Farmer wordt omschreven als:
1889 Barnburner – A nickname given to certain progressive New York Democrats, about 1835, who were opposed to the conservative Hunkers … The name is derived from the legend of the Dutchman, who set his barn afire in order to kill rats which infested it, the inference being that the democrats in question would fain destroy all existing institutions in order to correct their abuses.
In slang is de uitdrukking to get hunk on of with someone voor ‘het iemand betaald zetten’ ontstaan, zo vermeldt Webster’s Third. Dit is allemaal niet zo heel erg bekend, maar dankzij de samenstelling hunky-dory (zie 2.14) is hunk toch in het dagelijkse spraakgebruik terechtgekomen.
knicker, nicker, balletje van gebakken aarde, marmer of glas waarmee kinderen spelen (Craigie, DARE).
– Van Nederlands knikker, afgeleid van het klanknabootsende werkwoord knikken ‘met het geluid knik tegen elkaar stoten’; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en misschien een tweede maal in de twintigste eeuw; regionaal nog bekend.
* Het Nederlandse woord knikker is een van de namen voor kinderspelletjes die in het Amerikaans-Engels zijn geleend. Het woord is al vroeg overgenomen en daarom ook aangepast aan de Engelse uitspraak, waarin de k in woorden op kn- niet wordt uitgesproken. Nicker komt, als verouderde term, ook voor in het Brits-Engels, en ook daarin is het geleend uit het Nederlands, maar het lijkt waarschijnlijk dat het Amerikaans- en het Brits-Engels het woord onafhankelijk van elkaar hebben overgenomen. Voor de twintigste eeuw geeft DARE enkele vindplaatsen met de spelling kinick en canick; in enkele gevallen kan ook sprake zijn van invloed van het Noord-Duitse Knicker. En voorts de verkorting nick, in het bijzonder voor een kleine of goedkope knikker, die onder andere diverse malen gemeld is in Delaware. Dat een woord uit de kindertaal verbasterd wordt, ligt voor de hand.

Illustratie 2.54 – Knicker, litho naar een aquarel van de Belgische kunstenaar F. Charlet getiteld ‘Spring in Holland’ (bron: The Printing Art, deel 1, maart-aug. 1903, Cambridge University Press)
1843 “Hit black alley! – knock his nicker! – ‘tan’t fair!”
1859 Knicker or Nicker, … a boy’s clay marble; a common term in New York.
1890 Nicker: the marble to be knocked out of the ring.
1957 Kinick – a five cent shooter for playing marbles.
1958 Canick … “real agate marble, 30 c tot $1.50 apiece.”
1967 Kinicks – made out of colored stone, agate. (DARE kinick)
1968-70 Nicks or commies – made out of clay. (DARE nick)
1970 Marbles – nicks (small marbles) put in faddy (a row) and shot out with shooter. Whoever hit the most out won. (DARE nick)
pinkie, ook pinky, vijfde, kleinste vinger (Craigie, DARE, Webster).
– Van Nederlands pink, verkleinwoord pinkje, pinkie; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en nog in gebruik.
* De herkomst van het Nederlandse woord pink of pinkje is onbekend; waarschijnlijk komt het oorspronkelijk uit de kindertaal.
In het Amerikaans-Engels gold pinkie in de negentiende eeuw ook vooral als een kinderwoord. Het Nederlandse woord is behalve in het Amerikaans-Engels ook overgenomen in het Schots als pinkie, en het is dan ook mogelijk dat het woord behalve door Nederlanders ook door Schotten naar het Amerikaanse continent is gebracht. In ieder geval komt het veelvuldig voor in gebieden waar oorspronkelijk Nederlanders gevestigd waren. Het woord wordt nog regelmatig gebruikt: er staan veel voorbeelden, samenstellingen en uitdrukkingen met het woord in het Urban Dictionary, onder andere van pinky swear ‘het voor altijd bezegeling van een belofte door de pinken in elkaar te haken’. Ook Nederlandse kinderen kennen de gewoonte van pinkie zweren.
1848 Pinky. (Dutch, pink.) The little finger. A very common term in New York, especially among small children, who, when making a bargain with each other, are accustomed to confirm it by interlocking the little finger of each other’s right hands and repeating the following doggerel: Pinky, pinky, bow-bell,/ Whoever tells a lie/ Will sink down to the bad place/ And never rise up again. (Bartlett, Appendix)
1934 Ever since I left Mona I had worn the ring on my pinkie.
1941 [Cartoon caption:] Pinkey Straight Up, That’s The Class Way To Drink Tea, Pal!
1955 The assumption of these users of the word in the New York area seems to be that pinkie is known the length and breadth of the land … My own investigations, however – so far as they have gone – reveal vast stretches of the continent in which pinkie ‘little finger’ is known to very few. It has a considerable degree of currency in Connecticut and Massachusetts, and it seems to be known in some parts of upper New York State as well as in the Hudson River region; but to the west and south of New York State there are few areas, with the exception of central and northern Michigan, where it passes current.
1962 When two people say the same thing at the same time, they should say nothing, link their pinkies, i.e., their little fingers, and make a wish … Variant: they should link their pinky fingers.
2000 “Pinkie swear?” Spoken in reply to a promise; an affirmative response is followed by the discourse participants linking their pinkies with the rest of the fingers in a fist. (DARE) rolle bolle, also rol(l)y-bol(l)y, een spel dat lijkt op bowlen of kegelen, maar dat gespeeld wordt met zware schijven in plaats van ballen (DARE).
– Van Nederlands rollebol ‘naam van een aantal spelletjes waarbij een knikker of rond voorwerp over de grond wordt gerold’; overgenomen in de negentiende of twintigste eeuw en regionaal nog in gebruik.
* Het Nederlandse rollebol is een samenstelling van rollen ‘over de kop gaan’ en bol ‘rond voorwerp’. Rollebol en het ervan afgeleide werkwoord rollebollen komen vooral voor in Zuid-Nederland en België, en het is zowel door Vlaamse als door Nederlandse immigranten meegenomen naar de VS. Volgens DARE is het voornamelijk bekend in de noordelijke Mississippivallei en wordt het alleen gebruikt in Nederlandse en Belgische vestigingsgebieden. Eens per jaar, op Rolle Bolle Day of Roly-Boly Day, wordt het spel in deze contreien nog beoefend. Buiten deze gebieden werd het woord bekend door de bekende song van Eddy Leonard: Roll them Roly Boly Eyes uit 1928.
1939 In the portion of Henry County near Annawan, Atkinson, and Kewanee, Belgian settlers play a game called rolle bolle. The game, which is played with heavy discs of wood, combines certain features of bowling and horseshoe pitching. So popular is the game in the region that the Henry County Fair, held annually at Cambridge, features a Rolle Bolle Day.
1945 The Hollanders say there are no young men this year to play rollybolly, a Dutch game of horseshoe.
1947 Garretson, South Dakota, was originally settled by Belgians and there still exist some of the manners, customs, and games of that country.
Once a year, in the summer, there is “Roly-Boly Day,” but such good times are had that it usually lasts two or three. “Roly-Boly” is a bit like horseshoes.
2000 My grandparents were Belgian and lived in Moline, Illinois. The East End Club in Moline was one of the centers of rolle bolle (We said “roily bolly.”) I remember watching the old guys play roily bolly in the ’50s and ’60s but I think the game is still played there. The disks were rolled not tossed as you would toss a horseshoe. They were rolled toward a mark or an area at the other end of the lane. I think the lanes were clay, not dirt.
Santa Claus, de Kerstman (Craigie, Webster).
– Van Nederlands Sante klaas, een dialectvorm van Sinterklaas, dat een verbastering is van Sint Nicolaas, een heilige die op zijn naamdag cadeautjes geeft aan kinderen; overgenomen in de zeventiende eeuw en momenteel zeer algemeen verbreid.
* De Nederlandse Sinterklaas komt jaarlijks vanuit Spanje aangevaren op een stoomboot, omringd door zijn knechten, de Zwarte Pieten, die pepernoten voor de kinderen strooien.
Op de avond van 5 december (de dag voor zijn verjaardag) rijdt Sinterklaas op zijn paard over de daken en gooit cadeautjes door de schoorsteen in de schoenen van de kinderen. Als cadeautje worden onder andere chocoladeletters gegeven. Ondeugende kinderen krijgen geen cadeautjes maar de roe, en er wordt mee gedreigd dat zij in een juten zak door Sinterklaas worden meegenomen naar Spanje. Sinterklaas is gekleed in een roodwitte tabberd, heeft een mijter op, een staf in de hand en draagt een lange baard.
Hoe anders staat het met Santa Claus: die komt aangevlogen vanaf de Noordpool op een slee met belletjes (zie sleigh in 2.12), getrokken door rendieren.
Ook hij deelt cadeautjes uit aan kinderen, maar dat doet hij op kerstavond, 24 december. De kinderen hangen daarvoor sokken aan de schoorsteen.
Santa Claus is een dikke, ‘hoohoohoo’ roepende man, gekleed in een roodwit pak. Hij wordt geholpen door elfen, die de cadeautjes voor hem maken.
Hoe is Sinterklaas nu getransformeerd in Santa Claus? Belangrijk is te bedenken dat de meeste parafernalia van Sinterklaas pas in de negentiende eeuw in de Lage Landen onderdeel zijn geworden van het feest. Toen de Nederlandse kolonisten in de zeventiende eeuw hun sinterklaasfeest overbrachten naar de oostkust van de VS, zag dit er nog anders uit. Kinderen in de Lage Landen zetten in ieder geval vanaf de zestiende eeuw op 5 december, de dag voor de naamdag van Sint Nicolaas (waarvan de naam Sinterklaas een samentrekking is), hun schoen bij de schoorsteen, of ze hingen hieraan sokken op. De volgende ochtend vonden ze daarin een cadeautje.
In de loop van de zestiende eeuw echter kreeg de Reformatie steeds meer voet aan de grond in de Lage Landen, en de katholieke heiligen werden afgezworen.
Het vieren van Sinterklaas werd in de zeventiende eeuw zelfs door sommige gemeentelijke overheden verboden.
Dat hielp niet, want het feest was zeer populair bij jong en oud. Ook de Nieuw-Nederlanders hebben dit populaire gebruik met zekerheid meegenomen naar Amerika. Uit een bakkersbonnetje blijkt dat juffrouw Van Rensselaer uit 1675 sinterklaesgoet kocht. En in 1773 duikt Sinterklaas opeens op in New York, om nooit meer weg te gaan. Hij heet dan al Santa Claus, naar de Nederlandse dialectvorm Sante Klaas.

Illustratie 2.55 – Sinterklaas (bron: Sinterklaaslexicon p. 268, gereproduceerd uit C. Singer, Santa Claus comes to America (1942))
1773 Remember there will be a visit from Santa-Claus to-night.(Mathews)
1773 Last Monday the Anniversary of St. Nicholas, otherwise called St. A Claus, was celebrated at Protestant-Hall. (Mathews) Op dat moment is het sinterklaasfeest nog een lokale New Yorkse aangelegenheid.
Ook in de jaren daarop wordt erover gerapporteerd:
1808 The noted St. Nicholas, vulgarly called Santaclaus – of all the saints in the kalendar the most venerated by true hollanders, and their unsophisticated descendants. (OED) John Pintard, die in 1804 de New York Historical Society had opgericht, promootte Sancte Claus als beschermheilige van de Society en de stad New York. Hij was bevrien d met Washington Irving, en het was dan ook niet toevallig dat diens History of New York, gepubliceerd onder het pseudoniem Diedrich Knickerbocker, verscheen op sinterklaasdag 1809. Irving laat hierin de goedheiligman regelmatig optreden en schept een geheel eigen beeld van hem – een beeld waar de VS massaal voor valt. Irving schildert de kindervriend af als een gezette Nederlandse burgher met, uiteraard, een pijp in de mond; in hoofdstuk 7 beschrijft hij hem als ‘uitgerust met een lage hoed met brede rand, een enorme Vlaamse pofbroek en een pijp’. En in hoofdstuk 16 schrijft hij:
1809 In de arcadische dagen van Nieuw-Amsterdam verscheen de goede St. Nicholas dikwijls in zijn geliefde stad, ’s middags op een feestdag, opgewekt rijdend tussen de boomtoppen of over de daken van huizen, nu en dan weelderige geschenken te voorschijn halend uit zijn broekzakken, die hij liet vallen in de schoorstenen van zijn gunstelingen. Terwijl hij ons in deze gedegenereerde tijden nooit verlicht met zijn aangezicht, en ons nooit een bezoek brengt, op één nacht per jaar na; dan ratelt hij door de schoorstenen van de afstammelingen van de familiehoofden, terwijl hij zijn geschenken uitsluitend aan de kinderen geeft, als bewijs hoezeer de ouders zijn gedegenereerd.
In hoofdstuk 55 schrijft hij over Peter Stuyvesant: Verre van zich uit te leven in onredelijke strengheid, genoot hij ervan als de armen en de arbeiders plezier hadden; en daarom organiseerde hij veel feestdagen.
Onder zijn regering werden er met Pasen vele eieren stukgeslagen, Pinksteren floreerde eveneens, en nooit waren kousen beter gevuld op de vooravond van de gezegende St.
Nicholas.
Grappig is hoe Irving in hoofdstuk 64 mythe en realiteit met elkaar weet te verbinden. Hij spreekt daar over de afspraken die er zijn gemaakt tussen Stuyvesant en de Engelsen bij de overdracht van de kolonie (zie 2.4), en daarbij geeft hij de volgende opsomming: Ten slotte, dat hij [Stuyvesant] alle voordelen van de vrije handel zou hebben, en dat hij niet zou worden verplicht enige andere heilige van de heiligenkalender te erkennen dan St. Nicholas, die vanaf dat moment, net zoals vroeger, beschouwd zou worden als de beschermheilige van de stad.
Dankzij Irving was Sinterklaas vanaf 1809 voor alle Amerikanen een realiteit.
Ook John Pintard droeg zijn verdere steentje bij aan de bekendheid van de goedheiligman. In 1810 publiceerde hij een prent met een tweetalig gedicht: Sancte Claus goed heylig man! Trek uwe beste Tabaert aen, Reiz daer me’e na Amsterdam, Van Amsterdam na ’Spanje, Waer Appelen van Oranje, Waer Appelen van granaten, Wie rollen door de Straaten.
SANCTE CLAUS, myn goede Vriend! Ik heb U allen tyd gedient, Wille U my nu wat geven, Ik zal U dienen alle myn Leven.
Saint Nicholas, good holy man! Put on the Tabard, best you can, Go, clad therewith, to Amsterdam, From Amsterdam to Hispanje, Where apples bright of Oranje, And likewise those granate surnam’d, Roll through the streets, all free unclaim’d, Saint Nicholas, my dear good friend! To serve you ever was my end, If you will, now, me something give, I’ll serve you ever while I live.
Tabard wordt in de kantlijn verklaard als ‘toga’, apples bright of Oranje als ‘sinaasappels’, en granate als ‘granaatappels’. Het bijzondere van dit gedicht is dat hierin voor het eerst sprake is van Spanje als land van herkomst van Sinterklaas. De informante van wie het gedicht afkomstig was, was een jaar of tachtig, wat betekent dat al in de eerste helft van de achttiende eeuw Nederlandse kindertjes voorgehouden werd dat Sinterklaas vanuit Spanje naar Nederland kwam. Het mag wel bijzonder heten dat wij deze informatie uit Amerikaanse bron leren, want uit de Lage Landen stammen de eerste meldingen dat Sinterklaas uit Spanje komt, pas uit de negentiende eeuw! In de loop van de negentiende eeuw werd Sinterklaas steeds meer getransformeerd naar de moderne Santy.
In 1819 wordt hij verbonden met cookies – een ander Nederlands importproduct dat in de negentiende eeuw veelal genuttigd werd op feestdagen zoals nieuwjaarsdag.
Ook in Nederland is het nuttigen van klaaskoek en speculaas tijdens het sinterklaasfeest trouwens een oude traditie.
1819 In old times … St. Class used to cross the Atlantic and brought immense supplies of cookies etc.
from Amsterdam. (Funk 2005: 143) De belangrijkste stap naar de nieuwe gedaante werd gedaan op 23 december 1823 toen een gedicht van Clement Clarke Moore – eveneens bevriend met Pintard – werd gepubliceerd, getiteld ‘A Visit from St. Nicholas’, maar bekender onder de titel ‘Twas the Night Before Christmas’.
Hierin krijgt Santa de meeste van zijn attributen. Bovendien wordt het feest verschoven van 5 december naar 24 december, zoals blijkt uit de titel van het gedicht. De slee en de rendieren worden opgevoerd, die laatste zelfs met hun namen. Santa wordt afgeschilderd met een rode neus, een dikke ronde buik, een baard en – hier vinden we nog een spoor van Irving – een pijp in de mond.
1823 ‘Twas the night before Christmas, when all through the house Not a creature was stirring, not even a mouse; The stockings were hung by the chimney with care, In hopes that St. Nicholas soon would be there; … When, what to my wondering eyes should appear, But a miniature sleigh, and eight tiny reindeer, With a little old driver, so lively and quick, I knew in a moment it must be St. Nick.
More rapid than eagles his coursers they came, And he whistled, and shouted, and called them by name; “Now, Dasher! now, Dancer! now, Prancer and Vixen! On, Comet! on Cupid! on, Donder and Blitzen! … So up to the house-top the coursers they flew, With the sleigh full of toys, and St. Nicholas too.
And then, in a twinkling, I heard on the roof The prancing and pawing of each little hoof.
As I drew in my hand, and was turning around, Down the chimney St. Nicholas came with a bound.
… His eyes -- how they twinkled! his dimples how merry! His cheeks were like roses, his nose like a cherry! His droll little mouth was drawn up like a bow, And the beard of his chin was as white as the snow; The stump of a pipe he held tight in his teeth, And the smoke it encircled his head like a wreath; He had a broad face and a little round belly, That shook, when he laughed like a bowlful of jelly.
He was chubby and plump, a right jolly old elf, And I laughed when I saw him, in spite of myself; … In deze zelfde periode werd de kerstboom door Duitse immigranten in de VS geïntroduceerd, en al in 1856 worden kerstboom en Santa in één adem genoemd:
1856 Who can think … of the anxious children gathered round the Christmas tree – the fabulous visits of Santa Claus … without feeling that man has other ends than those that characterize every day life? (Mathews) In 1863 tekende Thomas Nast voor Harper’s Weekly een illustratie van Santa die bepalend is geweest voor zijn beeldvorming: een zeer gezette man met een witte baard en gekleed in een rood-wit pak. Dit pak werd in de jaren dertig van de twintigste eeuw overgenomen in reclames van Coca Cola, en vanaf dat moment werd het een onafscheidelijk onderdeel van Santa’s outfit. In 1865 wijdde Mary Mapes Dodge heel hoofdstuk 9 van haar beroemde Hans Brinker or the Silver Skates aan het feest van Sinterklaas en de overeenkomsten en verschillen tussen hem en Santa Claus (‘Er wordt beweerd dat hij oorspronkelijk uit Holland kwam. Ongetwijfeld klopt dat, maar zoals zoveel buitenlanders veranderde hij zijn leefwijze drastisch nadat hij op onze kust was geland’).

Illustratie 2.56 – Santa Claus in zijn Amerikaanse gedaante (bron: Vignettes, Parijs 2001)
Ook in Nederland werd de mythe van Sinterklaas in de negentiende eeuw uitgebouwd tot zijn huidige vorm.
Hoewel het sinterklaasfeest dan al eeuwen is gevierd, verschijnt de figuur van Sinterklaas in levenden lijve pas tegen het midden van de negentiende eeuw.
Dan worden ook voor het eerst de liedjes die voor hem worden gezongen, vastgelegd. Jan Pieter Heije publiceerde in de bundel Kinderliederen uit 1843 een van de oudste en bekendste sinterklaasliedjes, dat begint met de regels: ‘’t Heerlijk avondje is gekomen, / ’t Avondje van Sint Niklaas.’ Het moderne sinterklaasbeeld is goeddeels het werk van Jan Schenkman, die omstreeks 1850 het vele malen herdrukte prentenboek Sint Nikolaas en zijn knecht publiceerde, met de beginregels ‘Zie, ginds komt de stoomboot/ Uit Spanje weer aan!’. Dat Sinterklaas per stoomboot komt, is een uitvinding van Schenkman.
Ook was dit het eerste lied waarin de zwarte knecht van Sinterklaas voorkwam, die pas in 1911, in het lied ‘Op de hoge, hoge daken’ van S. Abramsz, de naam ‘Piet’ krijgt. Vanaf 1927 wordt zijn naam ‘Zwarte Piet’. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het sinterklaasfeest niet gevierd, maar na de bevrijding in 1945 hielpen de Canadezen om het feest opnieuw te vieren, en ter verhoging van de feestelijkheid zorgden zij ervoor dat Sinterklaas niet door één knecht maar door een menigte Zwarte Pieten werd bijgestaan. Die gewoonte bleef sindsdien bestaan. Sinds 1990 heeft ook de schimmel van Sint-Nicolaas een naam, die grappig genoeg verwijst naar Amerika: Amerigo.
Tijdens de landelijke intocht in Elburg in 1990 werd de rol van het paard van Sinterklaas vertolkt door een politiepaard met de naam Amerigo, vernoemd naar Amerigo Vespucci, naar wie ook het continent Amerika is genoemd.
Sinds deze intocht is de naam Amerigo algemeen ingeburgerd als verwijzing naar het paard van Sinterklaas.
Nadat Santa in de twintigste eeuw – mede dankzij promotie van de middenstand, zo beweren cynici – de hele VS heeft veroverd, deed hij ook in een groot aantal andere landen zijn intrede.
Zelfs in Nederland keerde Sinterklaas in de tweede helft van de twintigste eeuw terug in de vorm van Santa Claus, die hier echter Kerstman wordt genoemd om verwarring met zijn ‘achterneef’ te voorkomen.
En zo bestaan er nu in de Lage Landen twee feesten vlak na elkaar, op 5 en op 24 of 25 december, waarin cadeautjes worden uitgedeeld door wat oorspronkelijk een en dezelfde heilige was.