2.16 Besluit
Van de woorden die het Amerikaans-Engels heeft overgenomen van Nederlandse immigranten en die zijn genoemd in 2.1 t/m 2.14, is ruim 70 procent afkomstig van de eerste stroom Nederlandse immigranten; slechts 30 procent is afkomstig van de tweede stroom (zie voor redenen daarvoor de paragraaf ‘Wat er rest van de negentiende- en twintigste-eeuwse Nederlandse taal’ in 1.5). Bij de voedingsmiddelen is de invloed van de eerste en de tweede stroom ongeveer even groot, bij de eigenschappen en persoonsaanduidingen en bij de varia is de invloed uit de negentiende en twintigste eeuw groter dan die uit de zeventiende en achttiende. Maar in alle andere elf categorieën hebben de leenwoorden uit de zeventiende of achttiende eeuw de overhand; de termen op het gebied van landschap, in en om het huis en vervoer dateren zelfs uitsluitend uit de zeventiende en achttiende eeuw. De meeste Nederlandse leenwoorden zijn nog steeds bekend in het Amerikaans-Engels, sommige slechts regionaal. Maar met name de woorden uit de eerste stroom staan grotendeels nog steeds in woordenboeken, al zijn sommige termen inmiddels historisch geworden. Dat betekent dat de oorspronkelijke Nederlandse kolonisten ook in de taal tot op de dag van vandaag in Amerika hun sporen hebben nagelaten.
De Nederlanders hebben de basis gelegd voor de Amerikaanse staatsinrichting, die uitgaat van democratische waarden, van de vrijheid van personen in geloof, handel en wandel, en van het idee dat iedereen gelijk is en dus dezelfde kansen heeft om op te klimmen op de maatschappelijke ladder: iedereen kan boss worden. Al deze waarden lagen besloten in de Nederlandse woorden waarmee de verschillende staatsburgers en de staatsinrichting werden aangeduid en die enige tijd zijn overgenomen door het Amerikaans-Engels, zoals burgher, scout en dergelijke. Op termijn zijn deze Nederlandse woorden vervangen door Engelse, maar daarbij is de inhoud van de Nederlandse woorden overgedragen op de Engelse, zodat de Nederlandse invloed bewaard bleef. Tekenend voor de situatie, het is al eerder gezegd, is dat de benaming voor een Noord-Amerikaan of zelfs een Amerikaan in het algemeen – Yankee – teruggaat op een Nederlands woord. Op godsdienstig gebied hebben de Nederlanders weliswaar het idee van godsdienstvrijheid naar de Amerikaanse oostkust gebracht, maar Nederlandse religieuze leenwoorden hebben geen voet aan de grond gekregen.
Voor wat de overige Nederlandse invloed betreft, moet opgemerkt worden dat deze erg concreet is geweest: er zijn geen abstracte woorden geleend, geen hoogstaande begrippen voor culturele verschijnselen, literaire of filosofische begrippen, of woorden op het terrein van kunsten en wetenschappen. Wel zijn overgenomen namen voor gerechten, lokroepen voor huisvee, gebruiksvoorwerpen uit het boerenbedrijf, kinderspelletjes en dergelijke. Anderzijds: op iedere menukaart van een Amerikaans café of restaurant staan wel enkele namen die van oorsprong Nederlands zijn. Het belangrijke en internationale begrip dope is afkomstig van het Nederlands, net als de Amerikaanse munteenheid dollar en niet te vergeten Santa Claus, die op zijn sleigh – ook Nederlands! – komt aanglijden. Ook de Amerikaanse flora en fauna en het Amerikaanse landschap zouden er in talig opzicht heel anders uitzien zonder de Nederlandse bijdrage. Op het gebied van de handel hebben de Nederlanders zelfs een achtervoegsel geïntroduceerd dat in het Amerikaans-Engels aanzienlijk productiever is geworden dan het ooit in het Nederlands is geweest, namelijk ery voor ‘plaats waar een bepaalde activiteit op professionele wijze wordt uitgevoerd’. En ook de Amerikaanse spreektaal kan niet buiten Nederlandse woorden zoals assing around, dingus, dumbhead, hunky-dory, poppycock, the whole boodle, the whole caboodle en shooting off one’s bazoo.
Het is aardig hier tot besluit nog even te wijzen op enkele algemene klankveranderingen die Nederlandse leenwoorden hebben doorgemaakt in het Amerikaans-Engels. Een Nederlandse a is heel vaak veranderd in een o; dit kan teruggaan op de Hollandse zeventiende-eeuwse uitspraak (zie 1.2), maar het kan ook invloed van het Engels zijn. De verandering vond plaats in bockey, boss, canol (naast canal), clockmutch, dollar, mossbunker, poppycock en woffle iron (naast waffle iron). De Nederlandse lange a veranderde in het Amerikaans-Engels wel in aw- of -au, vergelijk canawl (naast canal), crawl en (Santa) Claus.
Een Nederlandse tussenklank -e werd -i of -y, vergelijk killifish, pannicake en poppyock. Zo ook in potty-baker, alleen genoemd door Bartlett in 1848 en ontleend aan het Nederlandse pottenbakker.
Opvallend is het grote aantal Nederlandse woorden dat in het Amerikaans-Engels in de verkleinvorm is geleend. Dit lijkt wel het vooroordeel te bevestigen dat het Nederlandse volkskarakter afgelezen kan worden aan het veelvuldige gebruik van verkleinwoorden die – al dan niet valse – bescheidenheid uitdrukken (denk aan de auteur die zijn nieuwste roman van 1100 pagina’s een ‘boekje’ noemt) of gebruikt worden als eufemisme (‘hij heeft een buikje’, ‘het is me het weertje wel’).
De verkleinvorm luidt in het Standaardnederlands je (met varianten), wat in de spreektaal wordt uitgesproken als ie. In die vorm is het overgenomen door het Amerikaans-Engels (gespeld als -y, ie en ey). Die uitgangen komen Amerikanen niet vreemd voor, want het Engels kent ze ook. De uitgangen ie en -y komen bovendien ook in het Engels als verkleinvorm voor, vergelijk dearie, auntie, Billy, pussy. Een reeks Nederlandse woorden is geleend met de verkleinvorm ie die volgt op een k: blickey, bockey, cookie, kliekies, pinkie. Voorts zijn enkele woorden geleend die in het Nederlands de verkleinvorm etje hadden; de woorden zijn allemaal overgenomen in het meervoud, en leverden in het Amerikaans-Engels de vormen applejees, blumachies, noodlejees en rollichies op.
Tot slot zijn een paar Nederlandse woorden overgenomen met de verkleinvorm tje, die in het Amerikaans-Engels -chie werd, bijvoorbeeld in frowchey. Deze uitgang komt verder nog voor in twee volstrekt verouderde Nederlandse leenwoorden, die nog niet eerder ter sprake zijn gekomen, namelijk prawchey en terawchey. Prawchey gaat terug op het Nederlandse praatje; Clapin noemt dit in 1902 ‘een pijnlijke verbastering van het origineel’. Het betekende volgens hem een praatje, een aangenaam gesprek als tussen goede buren, en het was op het moment dat hij dit schreef al vrijwel volledig verdwenen. Ook Farmer kent het in 1889.
Veel minder makkelijk te herkennen is de bron van terawchey. Clapin schrijft: ‘Terawchey (Nederlands te-ratje). Een vertrouwd woord dat in New Yorkse kinderkamers nog te horen is en hetzelfde is als het Engelse “creep-mouse.” Dit woord is op precies dezelfde wijze gevormd als prawchey, van praatje.’ Deze verklaring behoeft wel enige uitleg. Creep-mouse is een spel dat ouders met kleine kinderen spelen door met hun vingers over het kind heen te lopen, zeggend ‘Here… comes… the creep-mouse… from… the barn… into… the house…’ In het Nederlands zeggen ouders dan iets als: ‘Er komt een muisje aangelopen / Trippel trippel trip / Stiekem in jouw nekje gekropen / Trippel trippel trip.’ In het Nederlands en Engels is dus sprake van een muisje, maar in Nederlandse dialecten komen ook wel ratjes aangelopen. Het spelletje is kennelijk met het Nederlandse ratje meegenomen naar de VS, waar het woord in de kindertaal volkomen verbasterd is geraakt: in de spreektaal zei men ’t ratje, met het Nederlandse lidwoord ‘t; dit klonk als teratje en veranderde in het Amerikaans-Engels in terawchey. Helaas is dit mooie Nederlandse woord inmiddels verdwenen uit het Amerikaans-Engels, maar het vormt een passend slot van dit glossarium.