3.1 Delaware Jargon
In 1.1 kwam al ter sprake dat er direct bij de eerste aankomst van de Nederlanders contact gelegd werd met indianen. Nederlanders en indianen dreven druk handel met elkaar, en later ontstonden ook enkele conflicten. Om met elkaar te kunnen handelen en onderhandelen ontwikkelden de Europese kolonisten en de indianen een eenvoudige omgangstaal, een pidgin. Misschien wel meer dan één, maar er is slechts informatie overgeleverd over één pidgin, die was gebaseerd op de indianentaal Unami Delaware (zie 3.2). Deze pidgin wordt tegenwoordig ‘Delaware Jargon’ genoemd. De grammaticale structuur van deze taal was extreem eenvoudig, en de woordenschat, die slechts enkele honderden woorden omvatte, bestond uit een mengeling van indianenwoorden en een beperkt aantal leenwoorden uit andere talen, met name het Nederlands, Engels en Zweeds. De Amerikaanse taalkundige Buccini verdedigt de stelling dat het Delaware Jargon is ontstaan doordat zowel de indianen als de Nederlanders om pragmatische redenen in de communicatie met elkaar vereenvoudigde vormen van hun moedertaal gebruikten. De indianentalen bezitten namelijk een zeer grote vormenrijkdom, die voor anderen moeilijk te leren is. Omdat de indianen zich dat realiseerden, hanteerden zij tegenover de Nederlanders een vereenvoudigde vorm van het Unami Delaware, en deze vereenvoudigde taal vormt de basis van het Delaware Jargon. Ook de Nederlanders gebruikten waarschijnlijk een versimpelde vorm van Nederlands; dat blijkt uit de namen voor enkele dieren (zie 3.4 en 3.5).
Het Delaware Jargon was in de zeventiende eeuw een belangrijke taal, die werd gebruikt door Engelse, Nederlandse en Zweedse kolonisten. De oudste concrete gegevens over het Delaware Jargon zijn te vinden in Novus Orbis van de Nederlander Johannes de Laet uit 1633.

Illustratie 3.1 – Nieuw-Nederland met de belangrijkste indianenstammen en Europese bewoningskernen omstreeks 1650 (bron: Frijhoff 1995: 716)
De Laet, die diverse aardrijkskundige en volkenkundige werken publiceerde, was bewindhebber van de in 1621 opgerichte West-Indische Compagnie en werd later medepatroon van Rensselaerswyck – hoewel hij nooit in Amerika is geweest. In zijn Novus Orbis staan slechts enkele woorden in het Delaware Jargon. De meeste informatie over deze taal is afkomstig uit een handgeschreven lijst met 261 woorden en zinnen in het Engels gevolgd door de vertaling in het Delaware Jargon, onder de titel ‘The Indian interpreter’. Deze lijst is gevonden in een akte uit 1684 en zal dus ongeveer uit dat jaar stammen. Er waren Nederlanders die een of meer indianentalen leerden en indianen die Nederlands leerden en als tolk voor de Nederlanders optraden. Hoe goed zij elkaars taal spraken, blijft natuurlijk gissen. In 1628 schreef dominee Jonas Michaëlius in ieder geval dat de communicatie ‘bycans soo vele int wysen met duym ende vingeren [geschiedde] als door spreken’. Zeker is dat er in de achttiende eeuw groepen indianen waren die als enige Europese taal het Nederlands begrepen, want in 1750 moesten Engelse ambtenaren Nederlanders te hulp roepen om als tolk te dienen bij gesprekken met indianen.