assing around, aanrommelen, rondlummelen (DARE).
– Van Nederlands aarzelen ‘talmen, weifelen’, vroeger ook ‘achteruitgaan’; overgenomen in de negentiende eeuw, algemeen in gebruik in de nieuwe betekenis en regionaal nog in de oorspronkelijke betekenis.
* Anders dan op het eerste oog lijkt, heeft het werkwoord to ass around Nederlandse wortels. Aan de basis ligt het Nederlandse werkwoord aarzelen ‘talmen, weifelen’, vroeger ook ‘achteruitgaan’.
Dit werkwoord is in de negentiende eeuw als arsle, ook azzle, overgenomen door het Amerikaans-Engels met de betekenis ‘zich terugtrekken’. Enkele decennia later is het woord aangetroffen in de betekenis ‘niet stil kunnen zitten, druk bewegen’.
Beide betekenissen komen nog voor in het regionale Amerikaans-Engels.
De laatste stap is dat zowel de vorm als de betekenis van het woord zijn veranderd, ongetwijfeld onder volksetymologische invloed van ass ‘aars’: de vorm wordt assle, assing, assen, de betekenis wordt ‘rondlummelen, rondhangen’, en het voorzetsel around wordt toegevoegd, waarschijnlijk onder invloed van de synonieme uitdrukking to fool around.
En zo zijn we gekomen bij de huidige spreektaalvormen assing around (‘Quit assing around!’) en ass around, ass about ‘aanrommelen, rondlummelen’.
Dat het werkwoord in het Amerikaans-Engels beïnvloed is door ass is overigens opmerkelijk, want het Nederlandse werkwoord aarzelen is afgeleid van het Nederlandse aars ‘anus’ (naar het voorbeeld van het Franse reculer ‘terugtrekken’, dat een afleiding is van cul ‘achterste’). Die volksetymologie heeft dus meer zin dan zo op het eerste gezicht lijkt. Hoe dan ook, het woord aarzelen heeft in het Amerikaans-Engels een eigen ontwikkeling doorgemaakt, zowel qua betekenis (in het moderne Nederlands betekent het uitsluitend ‘weifelen’) als qua vorm.
1899 To arsle, to move backwards; to back out.
1930 Arsle – To sit unquietly.
1954 Ass around: To wander aimlessly.
ca. 1960 Assle… Fool around, be obviously idle or in the way of those who are trying to work. Assing around is apparently the more common local variant.
1966 Loafing and assening around.
1970 He doesn’t have anything to do so he’s just assling around – [used by] the old folks; also: assin’ around. (DARE)
2004 If you tell him to “ass around,” he gives you the wagging finger or the “shame on you” gesture (weblog)
2009 All it needs is for me to quit half-assing around working the problem instead of the solution. (weblog)
astamagootis, rusteloos iemand, tobber (DARE).
– Van de Nederlandse uitdrukking als het maar goed is; overgenomen in de negentiende of twintigste eeuw en regionaal nog in gebruik.
* In het Nederlands wordt de zinsnede als het maar goed is niet gebruikt als persoonsaanduiding. In het Amerikaans-Engels is het echter een beeldende uitdrukking geworden van iemand die nerveus en bezorgd in zichzelf loopt te mompelen dat hij of zij hoopt dat er geen problemen zijn. DARE geeft prachtige illustratieve citaten met het woord, zie hieronder. Gezien het feit dat de citaten afkomstig zijn uit Michigan en Iowa, zal astamagootis afkomstig zijn van Nederlandse immigranten uit de negentiende of de twintigste eeuw.
Heel gebruikelijk is het klaarblijkelijk niet.
1980 A restless astamagootis? Of course!.. The term no doubt stems from the Dutch clause “Als het maar goed is,” literally translated “If it only good is,” or – more freely, “If only everything is all right.”
1980 A few years ago I was in the midst of an X-raying process when the technician said, “Don’t be a restless astamagootis.” .. “What did you say?” .. “Don’t be a restless astamagootis,” she repeated. “The only person I ever heard use that expression was my mother, from Iowa.” – “I have it from my mother, in Connecticut.”
benaut, 1. drukkend (van weer); 2. ongemakkelijk, angstig, beklemd (DARE).
– Van Nederlands benauwd ‘belemmerd in de ademhaling, drukkend, beklemd’; overgenomen in de negentiende of twintigste eeuw en nog regionaal in gebruik in Nederlandse vestigingen.
* Het woord wordt, zowel in het Nederlands als in het Amerikaans-Engels, letterlijk en figuurlijk gebruikt. Het is in de VS slechts zeer beperkt bekend. De citaten komen uit DARE.
1982 The weather is benaut – not threatening, but overcast, dulling; it’s lowering, and you know something’s coming, though you’re not sure what.
1982 A person can be benaut from anything that produces a panicky feeling, including heat, but central is a feeling of anxiety and pain.
dumbhead, domoor (Craigie, DARE, Webster).
– Naar Nederlands domkop en Duits Dummkopf ‘stommerik’, letterlijk ‘stom hoofd’; waarschijnlijk overgenomen in de negentiende eeuw en nog algemeen in gebruik.
* Het scheldwoord dumbhead is via drie stappen in het Amerikaans-Engels terechtgekomen. De eerste stap bestond uit de regionale overname van de woorden dom cop, dummkup, ook dum(m)kopf ‘stommerik’. Dit woord komt tegenwoordig, zo blijkt uit DARE, voornamelijk in het noorden voor.
In sommige gebieden, met name daar waar Pennsylvania Dutch zijn gevestigd, is het ontleend aan het Duitse Dummkopf – dat blijkt ook uit de spelling dum(m) kopf. Maar in andere gebieden, waar Nederlandse immigranten naartoe zijn getrokken en waar men spreekt van dom cop of dummkup, is het overgenomen uit het Nederlands. En in het oudste citaat, uit A History of New York van Knickerbocker (Irving) handelt het uiteraard ook om een Nederlandse ontlening.
1809 We may picture to ourselves this mighty man of Rhodes like a second Ajax, strong in arms, great in the field, but in other respects (meaning no disparagement) as great a dom cop, as if he had been educated among that learned people of Thrace, who Aristotle most slanderously assures us, could not count beyond the number four.
1967-69 (A dull and stupid person) dumkop. (DARE) De tweede stap is een verandering die het Engelse dumb in de negentiende eeuw onderging. Dumb is verwant met het Nederlandse dom en het Duitse dumm.
In het Germaans luidde de oorspronkelijke betekenis van dit woord waarschijnlijk ‘niet begrijpend’; in het Engels werd dit geïnterpreteerd als ‘niet kunnende spreken’, terwijl de betekenis in het Nederlands en het Duits ging naar ‘dwaas, dom’. Nu nam het Amerikaans-Engelse dumb in de negentiende eeuw eveneens de betekenis ‘dom’ aan, naar wordt aangenomen onder invloed van het taalgebruik van Duitse en Nederlandse immigranten. In het Amerikaans-Engels is deze betekenis voor het eerst in 1825 vastgelegd, in het Brits-Engels overigens al iets eerder, vanaf 1756, maar vooral vanaf de negentiende eeuw. Gezien het feit dat juist in de negentiende eeuw een groot aantal Duitsers en Nederlanders naar de VS trokken, veronderstelt men dat de betekenis in het Amerikaans-Engels onafhankelijk van het Brits-Engels is overgenomen.
1825 Do you think the Boston people so dumb as not to know the law?
1825 The dumb creature believes it.
Eind negentiende eeuw bestonden er dus regionale vormen dom cop, dummkup etc., en had het woord dumb de nieuwe betekenis ‘stom’ gekregen. En nu was alles klaar voor de derde en laatste stap: de regionale vormen dom cop etc., met hun on-Engelse spelling, konden nu eenvoudig letterlijk vertaald worden in dumbhead – een woord dat onmiddellijk aansloeg en momenteel nog een van de meestgebruikte, milde scheldwoorden is (‘Hey, you dumbhead!’).
1887 We wouldn’t elect such a dumb-head to be a hog-reeve.
1895 What a dumbhead I was, to bide with an empty belly in a place where at least there must be plenty of fish near at hand.
2008 People are usually referred to as dumbheads when they are drunk or do no t agree with you. (Urban Dictionary op internet)
feest, ook feast, fees, 1. meestal met of: vies van, misselijk van; 2. smerig, slordig (DARE).
– Van Nederlands vies ‘vuil, smerig’; (gewestelijk) ‘kieskeurig’; waarschijnlijk overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en opnieuw in de twintigste eeuw, en regionaal nog bekend.
* Het Nederlandse woord is waarschijnlijk tweemaal door het Amerikaans-Engels overgenomen. In de negentiende eeuw komt het vooral voor in New York, en daar zal het een restant zijn van het taalgebruik van de eerste immigranten. Schele de Vere merkt in 1872 op dat het woord vrijwel is verdwenen. In 1904 wordt dit nog eens bevestigd, maar in 1908-1909 beweert Carpenter dat het ruim verbreid is.
Carpenter vermeldt ook de varianten afease, afeese; daarvan geeft hij geen verklaring, maar wellicht is het een contaminatie met averse: I am averse from it is goed vergelijkbaar met het door hem genoemde I am fease of it. Mencken vermeldt in zijn eerste supplement de vorm feaselick met de betekenis ‘ongewenst’, door een informant in 1937 genoteerd in Kingston, NY, en duidelijk een in het Amerikaans-Engels gemaakte afleiding van het Nederlandse leenwoord.
Terwijl het woord dus in de negentiende eeuw volgens sommige bronnen rond New York al bijna was verdwenen, geeft DARE nog diverse vermeldingen in de twintigste eeuw, en nu ook buiten de staat New York.
Dat wijst erop dat het woord opnieuw door Nederlandse immigranten is meegenomen. Volgens DARE wordt het tegenwoordig voornamelijk aangetroffen in gebieden waar Nederlanders zijn gevestigd, vooral in New York en in de noordelijk centrale staten.
1859 Feast. A corruption of the Dutch vies, nice, fastidious. “I’m feast of it,” is a literal translation of the Dutch Ik ben er vies van, i.e. I am disgusted with, I loathe it. A New York phrase, mostly confined to the descendants of the Dutch. (Bartlett)
1872 The word feast, a corruption of the original vies, and meaning “fastidious,” can hardly be said to exist any longer. (Schele de Vere)
1903 Feest… Used in Iowa, s.e., in the expression, ‘I am feest of it.’ Also, ‘It makes me feest,’ the word feest in this latter sentence being the equivalent of sick or ad nauseam.
1904 Feest, adj. Sated. “I was feest of it,” referring to maple sugar, of which the speaker had eaten a large quantity. The word or expression was formerly common in central N.Y., but is now almost obsolete.
1966 “I’m feest of that” means I’m revolted by that. (DARE)
1985 “That room is fees!” means that it is absolutely filthy. (DARE)
finger: to have long fingers, stelen (DARE).
– Van Nederlands lange vingers hebben of Duits lange Finger machen, haben ‘stelen, diefachtig zijn’; overgenomen in de negentiende eeuw en regionaal nog in gebruik.
* De Engelse uitdrukking to have long fingers zal, afhankelijk van het gebied in de VS waar ze is gevonden, ontleend zijn aan het Nederlands of aan het Duits. De uitdrukking is pas in de twintigste eeuw aangetroffen en dus relatief laat meegenomen. Het is een mooie eufemistische uitdrukking, wat de reden zal zijn dat ze, in vertaling, is overgenomen. Het Amerikaans-Engels kent ook de uitdrukking long-fingered, die is gebaseerd op het Duitse langfingerig ‘diefachtig’ – het Nederlands kent hiervoor geen equivalent.
1950 We say: “He has long fingers.”
1967-69 (To take something of small value that doesn’t belong to you – for example, a child taking cookies) He has long fingers; (if somebody has dishonest intentions, or is up to no good … “I think he’s got -”) Long fingers – for stealing; Long or sticky fingers. (DARE)
logy, ook loggy, log, zwaar, traag (Craigie, DARE, Webster).
– Van Nederlands log ‘dik en plomp, traag’; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw, en misschien nogmaals in de twintigste eeuw (en dan wellicht ook via het Engels) en nog in gebruik.
* Het Nederlandse woord log is overgenomen in het Amerikaans-Engels als logy, wat in verschillende negentiende-eeuwse woordenboeken van amerikanismen wordt genoemd.
Dit suggereert dat het woord al in de zeventiende of achttiende eeuw overgenomen is. Het woord wordt in het Nederlands meestal verbonden met een persoonsnaam en luidt dan logge: een logge man, etc. – waarschijnlijk heeft deze verbogen vorm logge in Amerikaans-Engelse oren geklonken als logy.
Het woord logy, loggy is ook opgenomen in DARE, met als betekenissen ‘zwaar, langzaam, lethargisch; suf, traag’; daarvan afgeleid is het zelfstandig naamwoord loginess. Uit de gegevens van DARE blijkt dat het woord in het regionale Amerikaans-Engels algemeen verbreid is, maar het meest frequent in het noorden, in het noordelijk centrale deel van de VS en in het westen; zie illustratie 2.45. Dat komt niet overeen met de oorspronkelijke Nederlandse vestiging aan de oostkust. Mogelijkerwijs is het Nederlandse woord al vroeg algemeen verbreid geraakt, maar het is ook niet uitgesloten dat het door latere Nederlandse immigranten opnieuw is meegenomen, en/of dat Britten een Engels dialectwoord hebben meegenomen dat er qua klank en betekenis op lijkt en waardoor de verbreiding van het oorspronkelijke Nederlandse leenwoord versterkt is; zo kent het Cornische dialect louggy, loogy ‘moe, langzaam’; en in Hampshire en het Isle of Wight komt loggy ‘zwaar, log’ voor.
In ieder geval zal óók het Nederlandse log ten grondslag hebben gelegen aan het Amerikaans-Engelse logy.

Illustratie 2.45 – Kaartje van de verbreiding van logy (zwaar, log) (bron: DARE 3: 408)
1848 Logy. (Dutch, log, heavy, slow, unwieldy.) We have received this word from the Dutch, and apply it generally to men. He’s a logy man, i.e. a slow-moving, heavy man. ‘He is a logy preacher,’ i.e. dull. The Dutch say, Een log verstand, a dull wit. (Bartlett)
1863 He huddled down in one corner of the cage, … like a logy, lumpy, country bumpkin as he was.
1872 Very much in the same manner Americans are still occasionally heard to speak of a logy preacher or a logy talker in society, when they wish gently to insinuate that such persons are not peculiarly interesting, but approaching the character of “bores.” The term is derived from the Dutch log, which means prosy, slow, or dull, and being by its very sound suggestive of its meaning, has maintained its hold on our language. (Schele de Vere)
1889 Logy. – Dull; slow; prosy.
Applied mainly to persons of Dutch descent, from log, with much the same meaning.
1902 Logy (Dutch log, prosy, dull).
Heavy, slow, stupid. A term especially applied to men, and which comes very near the meaning of a “bore.” A logy preacher, a logy talker, etc. (Clapin)
1950 Logy … Dull, inert, slow. Used to describe a person’s feelings. “After a heavy meal I feel logy.”
1965-70 It seems to me that when I was a child, people had a wider variety of words that described their physical and mental condition.
I never hear now of anyone’s feeling logy, but I ride the bus every morning with many who are logy. (DARE)
mauger, 1. mager, ziekelijk; 2. lui (DARE, Webster).
– Van het Nederlandse mager ‘dun’; overgenomen in de negentiende of twintigste eeuw en regionaal nog in gebruik.
* Het woord mauger, dat als verouderd geldt, komt in het noordoosten van de VS voor, zo blijkt uit DARE. De OED vermeldt het woord voor regionaal Engels (nu hoofdzakelijk Caraïbisch) in de betekenis ‘dun, mager (van een persoon)’ en voor het regionale Amerikaans-Engels als ‘zwak, ziekelijk’, en voegt hieraan toe dat het woord waarschijnlijk onafhankelijk van elkaar is geleend in het Jamaicaanse Engels en het regionale Amerikaans-Engels. Volgens DARE kunnen ook andere Germaanse talen, zoals het Duits, in bepaalde gebieden de bron van het Amerikaans-Engelse woord zijn.
En de ontlening zal in de negentiende of twintigste eeuw hebben plaatsgevonden, want geen van de woordenboeken van amerikanismen uit de negentiende eeuw maakt er een woord aan vuil. Wel valt op dat de drie oudste citaten afkomstig zijn uit New York, maar daarheen trokken ook in de negentiende eeuw Nederlanders, dus dat hoeft niet per se te wijzen op een oud leenwoord uit de tijd van de eerste Nederlandse vestiging. Grappig is het citaat uit 1983 met ‘mauger as a spook’:
spook (zie 2.14) is ook geleend uit het Nederlands, en de uitdrukking kan in zijn geheel afkomstig zijn uit het Nederlands.
1890 And though Jenette wuzn’t the one to say anything, she began to look kinder pale and mauger.
1901 Mauger… Sickly, weak in appearance.
1903 Mauger… Lean, thin … Common.
1932 Mauger. Poor, thin, peaked.
The grown-up word for puling.
1983 [An elderly man] described someone as being “mauger as a spook.”
rip van winkle, iemand die niet op de hoogte is van de omstandigheden (Craigie, Webster).
– Naar de Nederlandse naam van een personage in een kort verhaal van Washington Irving; overgenomen in de negentiende eeuw en nog in gebruik.
* Onder knickerbockers (2.13) blijkt dat Washington Irving onder het pseudoniem Diedrich Knickerbocker enkele belangrijke werken heeft geschreven die spelen in Nederlandse gemeenschappen in de VS: behalve het boekwerk A History of New York twee korte verhalen, namelijk Rip van Winkle uit 1819 en The Legend of Sleepy Hollow uit 1820. Deze twee verhalen zijn gepubliceerd als onderdelen van The Sketch Book of Geoffrey Crayon.

Illustratie 2.46 – De jonge Rip van Winkle; de negentiende-eeuwse Amerikaanse acteur Joseph Jefferson in zijn gevierde rol van Rip Van Winkle. Origineel in de New York Public Library (bron: Wikimedia Commons)
Het verhaal Rip van Winkle speelt in een plaatsje gelegen aan de voet van de Catskill Mountains. Hier woont Rip van Winkle, die afstamt van de Nederlanders.
Hij is geliefd maar lui, en wordt constant op zijn kop gezeten door zijn vrouw.
Op een dag trekt hij de bergen in om aan haar gezeur te ontsnappen. Na enkele vreemde gebeurtenissen valt hij in slaap onder een boom en wordt twintig jaar later wakker. Hij gaat naar zijn dorp, ontdekt dat zijn vrouw en veel vrienden overleden zijn, en komt in de problemen als hij zich loyaal betuigt aan koning George III. Hij weet namelijk niet dat inmiddels de Amerikaanse Revolutie heeft plaatsgevonden.
Het verhaal van Rip was een groot succes, en al heel snel ging de naam rip van winkle staan voor iemand die niet op de hoogte is van de heersende omstandigheden.

Illustratie 2.47 – The Return of Rip Van Winkle, schilderij van John Quidor, 1849. Andrew W. Mellon Collection, National Gallery of Art, Washington D.C. (bron: Wikimedia Commons)
Hoewel het verhaal niet stamt uit Nederlandse koker, ademt het hele verhaal een Nederlandse sfeer. Rip van Winkle is bovendien een Nederlandse naam: Rip is eigenlijk een Friese voornaam, en Van Winkel is een bestaande Nederlandse achternaam.
Het feit dat het verhaal over de Nederlanders in de VS in de negentiende eeuw geschreven werd en zó aansloeg dat de naam van de hoofdpersoon een overdrachtelijke betekenis kreeg die tot op heden gebruikt wordt, zegt bovendien iets over de Nederlandse invloed in deze periode. To be a Rip van Winkle is het je plotseling bewust worden van ingrijpende veranderingen in je omgeving. Er werden allerlei afleidingen van de naam gemaakt, zoals Rip Van Winkleish ‘als een rip van winkle onwetend zijn van de situatie’; en vandaar Rip Van Winkleism ‘een achterhaalde gewoonte of mening’. Men vergeleek zelfs een dier dat een winterslaap houdt met Rip van Winkle: ‘By mid-October, most of the Rip Van Winkles among our brute creatures have lain down for their winter nap’, schreef iemand in 1875.
1833 Wm. C. Preston, of South Carolina, in one of his furious tirades, applied to the State of North Carolina, the somewhat degrading epithet of ‘the Rip Van Winkle of the South’.
1856 Why, Col. Murray, you are the veriest old ‘Rip Van Winkle’. Have you also been asleep twenty years?
2009 Living in a Rip van Winkle world (headline in thestar.com)