boor, Nederlandse kolonist die landbouw bedrijft (Craigie).
– Van Nederlands boer ‘landbouwer’; overgenomen in de zeventiende eeuw en als aanduiding van een Nederlandse kolonist inmiddels verdwenen.
* De Nederlanders die naar de oostkust van de VS trokken, waren voornamelijk bonthandelaren en boeren. Het Nederlandse woord boer werd in deze periode overgenomen door de Engelsen die zich vestigden in Noord-Amerika en die uiteindelijk de Nederlandse kolonie overnamen. Het woord boor is ook overgenomen door het Brits-Engels, maar dan als aanduiding van boeren in Nederland en Duitsland, en in de negentiende eeuw ook voor Nederlandse kolonisten in Zuid-Afrika, tegenwoordig Boers genoemd. Webster’s Third vermeldt boor ‘keuterboer’ en boer ‘Zuid-Afrikaan van Nederlandse afkomst’. Het tweede woord is via het Afrikaans geleend; het eerste woord is gezien de betekenis waarschijnlijk via het Brits-Engels geleend en dus geen relict van de oorspronkelijke Nederlandse kolonisten.
1649 We were then informed also of a Dutch ship lately arrived at Hudson’s river sent to the free boors at Fort Orange.
1701 I cannot say I observed any swearing or quarrelling … except once betwixt two Dutch Boors.
boss, 1. ploegbaas; 2. leider van een politieke organisatie (Craigie, Webster).
– Van Nederlands baas; overgenomen in de zeventiende eeuw en inmiddels zeer verbreid en productief.
* Een paar Nederlandse leenwoorden in het Amerikaans-Engels hebben de wereld veroverd, en een daarvan is boss.
Boss is zonder enige twijfel samen met Yankee het belangrijkste Nederlandse leenwoord in het Amerikaans-Engels – het gaat hier immers niet om de naam van een tot dan onbekende zaak of een Nederlandse uitvinding, nee, het woord boss weerspiegelt een nieuwe visie op de maatschappij.
Baas is het gewone Hollandse woord voor een meester, een opzichter, iemand die knechten onder zich heeft.
De Nederlanders namen het woord mee naar de nieuwe kolonie, waar het al heel vroeg werd overgenomen in het Amerikaans-Engels:
1649 Here arrived a small Norsey bark … with one Gardiner, an expert engineer or work base, and provisions of all sorts, to begin a fort at the mouth of Connecticut.
1653 From our Place of Residence at the Basses house in the Monhatoes.
In deze oudste vormen base en basse is nog sprake van -a-, maar vanaf het begin van de negentiende eeuw is de -a- veranderd in -o-, en vinden we bos of boss (‘I had to return, make an awkward apology to boss, and look like a nincompoop’).
De oorzaak van deze verandering is niet helemaal zeker. Hij kan teruggaan op de uitspraak van de Nederlanders die naar Amerika trokken: de uitspraak ‘boas’ kwam en komt in het Nederlands gewestelijk regelmatig voor, naast de ‘beschaafde’ uitspraak met een heldere a, zoals in father. Hij kan echter ook ontstaan zijn in Amerikaans-Engelse mond.
Vanuit New York verbreidde het woord boss zich over de andere Amerikaanse staten. Pas in de negentiende eeuw werd het algemeen gebruikelijk. Dat boss in Amerika algemeen overgenomen werd, kwam doordat het een aanvaardbaar alternatief vormde voor master – het woord waarmee men in Engeland een meerdere aanduidde. De Engelsen die naar het nieuwe continent Amerika trokken, wilden zich onttrekken aan de hiërarchische relaties in het moederland en zochten daarom naar een alternatief voor master. Bij de vele Engelse kolonisten die hun leven in Amerika waren begonnen als contractarbeider, had master ongunstige connotaties, en blanke arbeiders hadden bovendien bezwaar tegen master, omdat dit door slaven werd gebruikt. Een beroemde uitspraak van Abraham Lincoln uit 1858 luidt: ‘Zoals ik geen slaaf wil zijn, zo wil ik evenmin een meester zijn. Alles wat hiervan afwijkt is – voor zover het afwijkt – geen democratie.’ Aanvankelijk was boss vooral spreektaal; zo werd in een etiquetteboek uit 1833 geschreven: ‘Woorden zoals … boss … worden zelden gebruikt door de hogere standen.’ Maar geleidelijk verbreidde het zich, ter aanduiding van een ‘baas, voorman’, en tevens als aanspreekvorm. In de negentiende eeuw werden over de verbreiding van het woord veel leerzame opmerkingen gemaakt, zoals blijkt uit de citaten hieronder.
1818 Master is not a word in the vocabulary of hired people. Bos, a Dutch one of similar import, is substituted. The former is used by Negroes, and is by free people considered as synonymous with slave-keeper. (James Flint in Letters from America)
1823 No one, in this republican country, will use the term master or mistress; employers, and the Dutch word boss, are used instead.
1848 Boss. A master, an employer of mechanics or laborers.
It probably originated in New York, and is now used in many parts of the US. The blacks often employ it in addressing white men in the Northern States, as they do massa (master) in the Southern States. (Bartlett)
1872 But of all Dutch words familiar to our ear, none has acquired a wider circulation and a stronger hold on our social system than the term boss, derived from the Dutch baas.
It had, originally, with us as in its native land, the primitive meaning of “master,” overseer, or superior of any kind, and retains it to this day in a large measure. Even now a boss shoemaker, or a boss bricklayer means the head of a gang of workmen, who deals their work out to them, and pays their wages, as an English master does to his workmen and apprentices. … For the proud Yankee, from the beginning, disliked calling any man his master, a word which, as long as slavery existed, he thought none but a slave should employ; and as the relation between employer and employed required a word, the use of boss instead of master, was either coined or discovered. (Schele de Vere) Tot slot kreeg het woord in het Amerikaans-Engels betekenissen die baas in het Nederlands niet kent. In de politiek wordt boss gebruikt voor ‘een bobo, een partijbons’: the Republican bosses. Hoe dat in zijn werk ging, blijkt uit het volgende citaat:
1902 Boss. … In politics, the word boss generally carries with it an implication of corrupt or discreditable methods. The renowned Tweed was the first to wear the title in a semi-official way, and “political boss” has now become a familiar expression for a leader whose word is law to his henchmen, and who reigns supreme over them. (Clapin) In het Amerikaans-Engels ging men in de negentiende eeuw in de spreektaal bovendien boss gebruiken als een bijvoeglijk naamwoord met een superlatieve betekenis: a boss sight is ‘een te gek schouwspel’. Die betekenis bestaat al sinds 1867. Volgens DARE wordt dit momenteel vooral in stedelijke gebieden in het noorden, midden en langs de Grote Oceaan gebruikt, vooral onder zwarten.
1867 If all are fed together, the ‘boss’ cattle fill themselves.
1880 If a coast man wants to express the superlative degree he says “That is a ‘Boss’ log or a ‘Boss suit’.”
1971 There was a boss flick on TV last night. (DARE) In de negentiende eeuw werden ook de afleidingen bossy ‘bazig’ en to boss (about, around) ‘commanderen, de baas spelen’ gevormd. Met name in de twintigste eeuw hebben veel andere talen, waaronder het Nederlands, het woord boss overgenomen van de Amerikanen.
Kennelijk voorziet het in een behoefte.
burgher, inwoner van een stad met alle daaraan verbonden rechten; stedeling (Craigie, Webster).
– Van Nederlands burger ‘inwoner van een stad met alle daaraan verbonden rechten’; overgenomen in de zeventiende eeuw en tegenwoordig een historische term.
* Het Nederlandse woord burger is ook geleend door het Brits-Engels, maar het heeft in de VS een eigen betekenis en gevoelswaarde gekregen. Het woord burgher werd ingevoerd toen de Nederlandse kolonie Nieuw-Amsterdam op 2 februari 1653 stadsrechten kreeg en alle burgers automatisch het burgerschap ontvingen. De rechten en plichten die zij op dat moment tegenover de staat hadden, behielden zij ook nadat de Engelsen het roer hadden overgenomen.
1677 The Court have ordered that the burgers in gennerall bee called together.
1899 This bald, middle-aged young man, not without elegance, yet a prosperous burgher for all that.
Voor het burgerschap en voor de burgerstaat werden nu echter de Engelse begrippen citizen en citizenship ingevoerd ter vervanging van de Nederlandse termen. De naam burgher bleef wel bewaard, maar werd na de machtsovername de benaming voor een Nederlandse kolonist.
Dankzij Washington Irvings satirische A History of New York, by Diedrich Knickerbocker uit 1809 verschijnt voor het geestesoog van de meeste Amerikanen bij het horen van het woord burgher een stereotiep beeld: een gezette man met vest en pijp die allerlei karaktereigenschappen bezit die Irving op subtiele wijze heeft geïntroduceerd door in zijn boek het woord burgher steevast te laten voorafgaan door ironisch bedoeld bijvoeglijke naamwoorden zoals ‘adventurous, christian, excellent, fat, good, honest, peaceful, ponderous, respectable, renowned, robustious, self-important, simple, somniferous, worthy’: the adventurous, christian, etc.
burgher… Het Nederlandse burgher is inmiddels in het Amerikaans-Engels een historische term geworden, maar de speciale inhoud ervan is in de VS bewaard gebleven in het woord citizen. Zie ook burgomaster.
burgomaster, hoofd van een gemeente (Craigie, Webster).
– Van Nederlands burgemeester; overgenomen in de zeventiende eeuw en tegenwoordig een historische term.
* De geschiedenis van het woord burgomaster gaat gelijk op met die van burgher. Toen de Engelsen Nieuw-Amsterdam overnamen, moest de burgomaster (Nederlands burgemeester) zijn titel inruilen voor mayor; in het citaat uit 1665 wordt de overdracht van de titel al vermeld. Als historische term bleef het woord nog bekend. In 1809 kon Irving het niet laten te spotten: ‘the porpoise [bruinvis] is a fat, well-conditioned fish – a burgomaster among fishes’.
1664 If the Fort [in N.Y.] be not capable of lodging all the soldiers then the Burgomaster by his Officers shall appoint some houses capable to receive them.
1665 I have thought it necessary to revoke & discharge the fforme and Ceremony of Government of this his Ma[jes]ties Towne of New Yorke, under the name or names … of Scout, Burgomasters & Schepens.
Het woord burgomaster leeft nog wel voort in een andere betekenis, namelijk als aanduiding van een soort zeemeeuw.
Waarschijnlijk gaat het hier om een oorspronkelijke spotnaam, want in een citaat uit 1678 wordt verteld: ‘The Great grey Gull … called at Amsterdam the Burgomaster of Groenland’ (OED). Dit is echter geen amerikanisme: het woord is door het Brits-Engels aan het Nederlands ontleend, en pas bijna twee eeuwen later, in 1858, in het Amerikaans-Engels aangetroffen. De meeste Amerikanen zullen de naam kennen dankzij het beroemde gedicht ‘The Burgomaster Gull’ van de dichteres Celia Thaxter uit 1883: ‘For every sea-bird, far and near, / With an atom of brains in its skull, / Knows plenty of reasons for hate and fear / Of the Burgomaster Gull’.
filibuster, 1. iemand die obstructie pleegt in het parlement; 2. vertagingstactiek in het parlement (Craigie, DARE, Webster).
– Uiteindelijk van Nederlands vrijbuiter ‘kaper’; overgenomen in de zeventiende eeuw; de nieuwe Amerikaanse betekenissen zijn in de negentiende eeuw toegekend en bestaan nog steeds.
* De geschiedenis van het woord filibuster begint in het Nederlands, loopt via het Brits-Engels en Spaans en eindigt in het Amerikaans-Engels met een eigen vorm en geheel eigen betekenissen. Aan de wieg van de filibuster liggen Nederlandse zeerovers en kapers, die in de zestiende en zeventiende eeuw de wereldzeeën onveilig maakten, al dan niet met toestemming van de autoriteiten.
Zij werden vrijbuiters genoemd. Dit werd in het Brits-Engels letterlijk vertaald als freebooters (vanaf 1570). Iets later, vanaf 1587, kregen zij de naam flibusters. De vorm met fl- is volgens de OED mogelijk beïnvloed door het Nederlandse vlieboot, dat in het Brits-Engels als flyboat was overgenomen. Na deze Britse episode verhuist het woord naar het Amerikaanse continent. Halverwege de negentiende eeuw voegden Amerikanen zich bij Spaanstalige opstandelingen in bepaalde Latijns-Amerikaanse gebieden. In het Spaans werden deze opstandelingen filibustero genoemd. Naar analogie van de Spaanse benaming werden de Amerikanen die meededen aan de onwettige expedities filibusters genoemd; een vorm die in de plaats kwam van het oudere flibusters.
In de tweede helft van de negentiende eeuw kreeg filibuster uiteindelijk de betekenissen waaraan iedereen tegenwoordig denkt bij het horen van het woord, namelijk ‘obstructievoerder’ en ‘vertragingstactiek’. De inhoud van het begrip – het tegenhouden van de politieke besluitvorming – bestond al eerder, maar er was nog geen aparte benaming voor. Kennelijk werd dit nu noodzakelijk. Het was vast een tegenstander die iemand die de besluitvorming van de Senaat ‘kaapt’, vergeleek met een piraat. Helaas is het niet bekend wie als eerste de naam filibuster heeft gebruikt en onder welke omstandigheden dat was. In ieder geval voorzag de naam in een behoefte, want het begrip filibuster is door veel talen overgenomen uit het Amerikaans-Engels, en ook in het Nederlands keerde de vrijbuiter in een nieuwe jas en met een nieuwe betekenis terug.
Het werkwoord to filibuster wordt, zo blijkt uit DARE, momenteel met name gebruikt door zwarten in de centrale en zuidelijke staten langs de Atlantische Oceaan in de betekenis ‘omslachtig praten, soms om indruk te maken of de aandacht van een fout af te leiden’.
1853 I saw my friend … filibustering, as I thought, against the United States.
1889 The surrender of legislative functions by the majority of the House and the carrying on of business … only by a humiliating ‘treaty’ with a single determined filibuster is something entirely anomalous in a country … governed by majority action.
1890 A filibuster was indulged in which lasted … for nine continuous calendar days.
1913 We intended to continue the ‘filibuster’ until the leaders should give in.
1915 The Senate sits day and night, silently waiting for the time when nature can stand no more and the overwearied filibusters simply cannot talk.
frow, Nederlandse vrouw; mevrouw als aanspreekvorm (Craigie, Webster).
– Van Nederlands vrouw, ook als aanspreekvorm; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog in gebruik, mede via het Afrikaans en Duits.
* Het Nederlandse woord vrouw is waarschijnlijk tweemaal geleend, de eerste keer al in de zeventiende of achttiende eeuw in het verkleinwoord vrouwtje dat zowel vertederend als neerbuigend kan zijn. In het Amerikaans-Engels is dit overgenomen als frowchey.
De citaten die in de negentiende en begin twintigste eeuw in de woordenboeken met amerikanismen gegeven worden, betreffen allemaal deze vorm.
1848 Frowchey. (Dutch, vrouw, a woman.) A furbelowed old woman. Local in New York and its vicinity. (Bartlett)
1872 … a Frowchey, a wellnigh desperate attempt to render the staid old Vrouwtje …, with which the wives of the good burghers used to be greeted. (Schele de Vere)
1902 Frowchey (Dutch vrouwtje).
In city of New York and vicinity, a term applied to an old woman, with bent shoulders, and deep-wrinkled, furbelowed face. A wellnigh desperate attempt to render, into English the staid old greeting “Vrouwtje,” so much in use amongst the good burgher’s wives in Knickerbocker times. (Clapin) De tweede keer is het woord geleend als frow. De behandeling van het woord frow in de verschillende drukken van Webster geven een aardig idee van de ontwikkeling.
1828 frow, a woman. [Not used.]
1913 frow, a woman; especially, a Dutch or German woman.
1961 frow … 1a: a Dutch or German woman b: woman, wife, housewife (I’m not going to settle down into a ~ until I’ve had some fun – Joyce Cary) (a crocodile-hided … old ~ – A.M. Mizener)
1961 vrouw or vrow … 1: a Dutch or Afrikaner woman 2: mistress – usually used preceding the name of a Dutch or Afrikaner married woman.
Hieruit blijkt dat het woord frow in het begin van de negentiende eeuw als ongebruikelijk gold, maar een eeuw later wel bekend was, zowel voor een Nederlandse als voor een Duitse vrouw. Waarschijnlijk dankzij de vele negentiende-eeuwse Nederlandse en Duitse immigranten – ook het Duitse woord frau is dan in het woordenboek opgenomen. In 1961 werd frow ook gebruikt voor een huissloof (‘I’m not going to settle down into a frow’), en daarnaast was nu ook de spelling vrouw, vrow bekend, deels dankzij het Nederlands en deels dankzij het Afrikaans. In de twintigste eeuw werd vervolgens ook het Duitse leenwoord hausfrau (ietwat denigrerende aanduiding van een house wife) populair.
Samenvattend: uit de oudste tijd is uit het Nederlands het enigszins neerbuigende frowchey overgeleverd; dit werd in de loop van de tijd opgevolgd door frow, een woord dat zowel uit het Nederlands, Duits als Afrikaans afkomstig is.
handler, iemand die handel drijft, met name met indianen (Craigie).
– Van Nederlands handelaar; overgenomen in de zeventiende eeuw en in deze betekenis niet meer in gebruik.
* In het Engels bestaat en bestond handler als ‘iemand die iets hanteert’, maar niet in de betekenis ‘handelaar’. Die betekenis heeft het woord overgenomen van het Nederlands. Ongetwijfeld vanwege de ambiguïteit met het woord handler is de betekenis ‘handelaar’ inmiddels verdwenen.
1697 Ordered the sheriffe to goe throw the handlers, and require them to rebuild the house.
1754 We, the traders (or handlers) to Oswego, most humbly beg leave to remonstrate to your Honor the many hazards and difficulties we are subject to.
Moving Day, vaste dag waarop huurcontracten aflopen, waardoor mensen tegelijkertijd van woonplaats veranderen (Craigie, DARE).
- Waarschijnlijk een vertaling van het Nederlandse verhuisdag ‘de dag waarop men verhuist omdat de huur afloopt’; wellicht al in de zeventiende eeuw overgenomen en regionaal nog bekend.
* Of het Nederlandse verhuisdag aan de basis ligt van de Amerikaans-Engelse Moving Day is niet helemaal zeker, maar wel waarschijnlijk. Het gaat dan om de specifieke betekenis ‘vaste dag waarop huurcontracten aflopen, waardoor mensen tegelijkertijd van woonplaats veranderen’ – een traditie die voor het eerst op hilarische toon wordt beschreven door Irving in hoofdstuk 12 van A History of New York, als zijnde een gebruik dat stamt uit de tijd van de eerste Nederlandse kolonisten:
1809 It having been solemnly resolved that the seat of empire should be removed from the green shores of Pavonia to the pleasant island of Manna-hata, everybody was anxious to embark under the standard of Oloffe the Dreamer, and to be among the first sharers of the promised land. A day was appointed for the grand migration, and on that day little Communipaw was in a buzz and a bustle like a hive in swarming time. Houses were turned inside out, and stripped of the venerable furniture which had come from Holland … By degrees a fleet of boats and canoes were piled up with all kinds of household articles; ponderous tables; chests of drawers, resplendent with brass ornaments, quaint corner cupboards; beds and bedsteads; with any quantity of pots, kettles, frying-pans, and Dutch ovens. … This memorable migration took place on the first of May, and was long cited in tradition as the grand moving. The anniversary of it was piously observed among the “sons of the pilgrims of Communipaw,” by turning their houses topsy-turvy, and carrying all the furniture through the streets, in emblem of the swarming of the parent hive; and this is the real origin of the universal agitation and “moving” by which this most restless of cities is literally turned out of doors on every May-day.
Zoals bekend ging Irving vrij om met de feiten, maar hij was ook goed bekend met Nederlandse tradities. Schele de Vere gaat nog een stapje verder en beweert:
1872 The readers of W. Irving’s delightful work on the History of New York, in which fact and fiction are so amusingly interwoven as to have deceived more than one acute critic, are familiar with his quaint and graphic description of the origin of Moving Day. He ascribes the curious custom which makes the first of May a day of horror in that city, on which every one who is not the fortunate owner of a house, vacates his lodgings and seeks new ones for the coming year, to the first great move made by the Dutch inhabitants of Communipaw to New Amsterdam.
… The custom has certainly survived till now … but it is older than even the ancient settlement called Communipaw. The Dutch settlers evidently brought the custom with them from their transatlantic home, and to this day, in Bruges and its neighborhood, in Verviers and many other parts of Belgium and Holland, the first of May continues to be the general day of moving. It has not only become a characteristic institution of the City of New York, but the tendency to move, constantly to shift and drift from one place to another, is, by the home-keeping Scotch and Irish especially, not quite unjustly looked upon as a sign of instability in the national character.
Feit is dat in Nederland verhuisdag in de zeventiende eeuw en later voorkomt in de specifieke betekenis ‘vaste dag, dikwijls 1 mei, waarop de jaarlijkse huur verliep’; ‘Mei-dag, verhuisdag’, heette het lange tijd onder het volk, aldus het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal, waarin het Nederlands van de zestiende tot de twintigste eeuw is beschreven.
Dat is dus exact de betekenis van Moving Day. Of die betekenis nu te danken is aan de zeventiende-eeuwse Nederlandse kolonisten of aan Irving is niet helemaal duidelijk. Alle citaten waarin Moving Day in deze betekenis wordt gebruikt, stammen van na de verschijning van A History of New York. Maar DARE vermeldt dat het woord vooral voorkomt in New York en Pennsylvania, wat erop kan duiden dat het althans gedeeltelijk een overblijfsel is van de eerste Nederlandse bewoners. Of Schele de Vere ook gelijk heeft als hij beweert dat het wispelturige karakter van de Amerikanen eveneens hiertoe herleid moet worden, laten we maar in het midden.
1828 “The first of May, what of the first of May?” “’Tis moving time.” “Moving time! what is that?” “The time when every body moves.”
1832 “Moving day” was, as now, the first of May, from time immemorial.
1841 A sudden light bursts upon me! ’tis “moving day” – the dreaded “first of May!”
1910 One of the inalienable rights of the free American is the privilege of insuring his domestic tranquility by leaving a domicile before it has become too familiar. An annual moving day fits nicely into our practice of the restless life.
mynheer, beleefde aanspreekvorm van een Nederlander (Craigie, Webster).
– Van Nederlands mijnheer, vroeger ook gespeld als mynheer; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog bekend.
* Ook in het Brits-Engels is mynheer bekend, maar de ontlening is zeker onafhankelijk van die in het Amerikaans-Engels gegaan; in het Brits-Engels wordt mynheer ook gebruikt om een Afrikaner mee aan te spreken (dus geleend uit het Afrikaans), en bovendien geldt de aanspreekvorm er dikwijls als grappig of ironisch, aldus de OED; zo was in 1868 te lezen: ‘Er is een bekend modern liedje dat begint met: – “Mynheer Van Dunk, Though he never got drunk.”’ Voor het Amerikaans-Engels vermeldt Craigie twee betekenissen.
Ten eerste ‘een Nederlander’, ook ‘algemene naam voor Nederlanders’.
De oorspronkelijke Nederlandse bevolking van Nieuw-Amsterdam wordt wel aangeduid met the mynheers: ‘the mynheers of Nieuw Amsterdam’.
Kennelijk speelden vrouwen in die maatschappij geen rol van betekenis (maar zie ook frow). Ook werd mynheer wel gebruikt als men de Duitsers in Pennsylvania bedoelde, de zogenoemde Pennsylvania Dutch – waarin het oorspronkelijke Deutsch is vervangen door het gelijkluidende Dutch, hoewel de moedertaal van deze bevolkingsgroep Duits is en niet Nederlands.
1701 Frederick Philips the richest Miin Heer in that place … was said to have whole Hogsheads of Indian Money or Wampam.
1882 The portly ‘mynheers’ turned out their cows to graze.
1890 It gave the good mynheers inexhaustible food for reflection.
Het woord mynheer wordt ook gebruikt voor sfeertekening in Amerikaanse literaire werken, uiteraard door de onvermijdelijke Diedrich Knickerbocker in 1809 (‘And they all with one voice assented to this interpretation excepting Mynheer Ten Broeck’), maar ook in bijvoorbeeld Hans Brinker or The Silver Skates van Mary Mapes Dodge uit 1865.
Deze schrijfster geeft in de marge telkens een verklaring van de Nederlandse woorden die zij in het boek gebruikt, maar voor het woord mynheer laat zij dat achterwege; klaarblijkelijk is dit woord zo algemeen bekend dat uitleg overbodig is. Al helemaal in het begin van het boek schrijft zij: ‘Most of the good Hollanders were enjoying a placid morning nap.
Even Mynheer von Stoppelnoze, that worthy old Dutchman, was still slumbering “in beautiful repose”.’ overslaugh, iemand passeren ten gunste van een ander; iemands rechten negeren (Craigie, Webster).
– Van Nederlands overslaan, letterlijk ‘passeren’; overgenomen in de negentiende eeuw en inmiddels verouderd.
* New Yorkse politici hebben het Nederlandse werkwoord overslaan overgenomen. Zij gebruikten het als iemand, bijvoorbeeld een militair, ten onrechte werd overgeslagen voor een promotie. Vandaar kreeg het woord ook de betekenis ‘iemand tegenwerken of dwarszitten’. Hetzelfde Nederlandse woord is ook geleend in het Brits-Engels, en al eerder, maar in een andere betekenis, namelijk die van ‘vrijstellen van een verplichting om een belangrijkere taak uit te kunnen voeren’.
Het Amerikaans-Engels heeft het woord kennelijk apart en direct overgenomen van Nederlandse immigranten die zich in de Amerikaanse politiek roerden.
Misschien zelfs van de eerste president van Nederlands-Amerikaanse afkomst: Martin van Buren (de twee andere presidenten met een Nederlands-Amerikaanse achtergrond, Theodore en Franklin D. Roosevelt, regeerden in de twintigste eeuw).
In de negentiende-eeuwse New Yorkse politiek behoorde overslaugh tot het vaste ambtelijke jargon. Zo schreef Abraham Lincoln in een speciale mededeling aan de Senaat: ‘I therefore nominate Commander John J. Young … to be a captain in the Navy … from the 12th August, 1854, the date when he was entitled to his regular promotion had he not been overslaughed.’ Het werkwoord overslaugh staat in deze betekenissen nog in Webster’s Third en andere moderne woordenboeken van het Amerikaans-Engels, maar het heeft het lot ondergaan van zoveel politieke modetaal: het raakte door het veelvuldige gebruik afgesleten en er ontstond behoefte aan nieuwe synoniemen, zoals pass over of disregard.
1848 To overslaugh. (Dutch, overslaan.) To skip over; pass over; omit.
A word used by New York politicians.
Mr. Polk intended making Gen.
Butler commander-in-chief, and to drop Gen. Scott. But it was found that public opinion would not be reconciled to overslaughing Taylor, and he [Gen. Taylor] was nominated.
– Washington Correspondent, N. Y.
Com. Adv., Oct. 21, 1846. Van Buren is no longer feared as a candidate for the Presidency. He was overslaughed in May, when he was a candidate of some promise. – Letter from Washington, N.Y. Com. Adv., Nov. 28, 1846. (Bartlett)
1872 The same verb [overslaan], it is well known, has given to English the familiar term of overslaughing, for the act of rewarding an outsider at the expense of the person entitled to the preferment by seniority in office.
… A prominent candidate for the presidency is thus said to have been overslaughed by his party if a man before unknown is nominated in his place, and army officers complained bitterly during the late Civil War when they saw themselves repeatedly overslaughed by civilians serving among the volunteers. “There is no danger that General Grant can be overslaughed,” predicts the New York Tribune (Jan. 19, 1871), speaking of the next presidential election. (Schele de Vere)
1903 The spirit of commercialism will overslaugh every less practical consideration.
patroon, gepriviligieerde grootgrondbezitter in New York en New Jersey in de Nederlandse tijd (Craigie, Webster).
– Van Nederlands patroon ‘eigenaar’; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en inmiddels een historische term.
* Het Nederlandse woord patroon is net als het Engelse patron overgenomen uit het Frans. Het betekent in het algemeen ‘beschermheer’, maar het kreeg in Noord-Amerika de speciale betekenis ‘eigenaar van een grote hoeveelheid land waar de patroon als heer en beschermer optrad van een aantal zich daar vestigende kolonisten’, ofwel ‘geprivilegieerd grootgrondbezitter’.
Deze betekenis dateert van 1629, toen de West-Indische Compagnie een akte met ‘Vrijheden en Exemptiën’ uitvaardigde, waarmee zij de functie van ‘patroon’ of gepriviligieerde landeigenaar instelde.
De eersten die deze titel kregen waren grootinvesteerders in de West-Indische Compagnie. De bedoeling van de patroonschappen, in het Amerikaans-Engels patroonships genaamd, was om meer mensen naar Nieuw-Nederland te trekken.
Zo was de patroon ervoor verantwoordelijk dat binnen vier jaar minimaal vijftig volwassenen uit de Lage Landen emigreerden naar de patroonship.
De patroon had verregaande privileges en rechten. De pachters hoefden geen belasting te betalen aan de staat, maar moesten wel geld en goederen afdragen aan de patroon. Binnen een patroonschap bevonden zich een dorp, kerk en andere voorzieningen. In 1640 werd het systeem zo gewijzigd dat iedere Amerikaanse Nederlander van goed aanzien patroon kon worden.
De oudste Nederlandse patroonschappen hebben tot op heden sporen nagelaten in het Amerikaanse landschap: veel van de oorspronkelijke namen van de patroonschappen zijn namelijk bewaard gebleven. Zo leeft de naam van Michael Pauw, patroon van de streek rond Hoboken en Jersey City en van heel Staten Island, nog voort in Pavonia. (Staten Island had zijn naam overigens al in 1609 gekregen van Hudson: het werd zo genoemd ter ere van de Staten-Generaal.) De grootste kolonie of patroonschap werd gesticht door Kiliaen van Rensselaer, die het grootste deel verwierf van wat nu Albany en Rensselaer Counties is. Het gebied van Jonas Bronck werd Broncks Land genoemd en als men daarheen ging, zei men dat men ‘was going to the Broncks’; het leeft nog voort in de naam The Bronx, met het lidwoord the. Zie ook yonkers.
Het woord patroon werd in deze betekenis overgenomen door het Amerikaans-Engels, en het woord en de zaak bleven behouden ook nadat de Engelsen de vestigingen van de Nederlanders hadden overgenomen. De benaming patroon werd voornamelijk gebruikt voor grootgrondbezitters aan de oostkust.
In 1797 schreef Thomas Jefferson, een van de belangrijkste opstellers van de Onafhankelijkheidsverklaring en later de derde president van de VS: ‘With the English influence in the lower, and the Patroon influence in the upper part of your State, I presume little is to be hoped.’ Pas na de Amerikaanse Revolutie, eind achttiende eeuw, werden de rechten van de patroons geleidelijk aan verminderd. Daarmee werd ook patroon een historische term, anders dan boss, dat meegroeide met de veranderende maatschappij. Maar nog in 1945 verscheen de historische roman Dragonwyck van Anya Seton, die zich afspeelde in 1844 en waarin de patroon Nicholas van Ryn een lugubere rol speelt; de roman werd vooral bekend dankzij de verfilming uit 1946.
1744 Jeremiah Ranslaer … is dignified here with the title of Patroon.
1776 Vast tracts of land on each side of Hudson’s river are held by the proprietaries, or, as they are here styled, the Patrones of manors.
1781 Messrs. Smith and Livingston, and other pateroons in New-York, will find the last determination also to have been ‘founded in ignorance and fraud.’
1838 They are addressed to a gentle-man well known and highly appreciated in the annals of White Sulphur, the grand master of ceremonies for years on festive occasions, and by prescription the Patroon of the establishment.
1848 Patroon. (Dutch, patroon, a patron.) A grantee of land to be settled under the old Dutch governments of New York and New Jersey. (Bartlett)
schepen, stadsbestuurder (Craigie, Webster).
– Van Nederlands schepen ‘stadsbestuurder’; overgenomen in de zeventiende eeuw en inmiddels een historische term (zo ook in Nederland, maar niet in België).
* Vroeger lag het bestuur van Nederlandse dorpen en steden in handen van schepenen. Zij werden bijgestaan door een schout, die aan het hoofd stond van de politie en het gerecht. De dagelijkse leiding van steden werd uitgevoerd door een of meer burgemeesters.
Die organisatiestructuur werd meegenomen naar de Nederlandse vestigingen of patroonschappen in Nieuw-Nederland, die bestuurd werden door schepenen en een schout.
Alleen Nieuw-Amsterdam had, na de toekenning van de stadsrechten, burgemeesters. Het woord en de functie schepen bleven nog enige tijd bewaard na de machtsovername door de Engelsen.
Het oudste citaat dateert uit de Nederlandse, Nieuw-Amsterdamse tijd; de volgende citaten betreffen dezelfde functie in New York.
1660 [They] verified their declaration … before the court of the burgomasters & schepens of this towne of New Amsterdam. (Mathews)
1664 Jacob Kip, and Jaques Cousseau, are also Chosen to the Office of Schepens, in this City of New Yorke.
1673 Ye Schepens or Magistrates of respective Townes … [shall] Governe as well their Inhabitants as Strangers.
1809 There is not a Burgomaster, Pensionary, Counsellor, or Schepen – and there are near five thousand of them all – who does not understand this subject better than Hamilton did.
scout: a good scout, een prima kerel (Webster).
– Van Nederlands schout ‘stadsbestuurder die aan het hoofd stond van de politie en het gerecht’; overgenomen in de zeventiende eeuw en in de uitdrukking a good scout bewaard gebleven (de oorspronkelijke betekenis is inmiddels een historische term geworden).
* In de uitdrukking a good scout is waarschijnlijk geen sprake van een scout als verkenner (een Frans leenwoord), want de betekenis daarvan past helemaal niet bij die van ‘aardige vent, iemand die gemakkelijk in de omgang is’. Veel waarschijnlijker is een verband met het Nederlandse schout, de naam voor een stadsbestuurder die aan het hoofd van het gerecht en de politie stond. Een schout had veel bevoegdheden en was daarom een gevreesd figuur; bovendien hadden schouten volgens Krapp (1960: 158-159) in het verleden nogal eens een slechte reputatie; volgens hem was een ‘goede schout’ in de tijd van Nieuw-Amsterdam vooral opmerkelijk omdat er zo weinig van waren, en hij vermoedt dat de uitdrukking daarom misschien is blijven bestaan zelfs nadat de schout als openbaar ambtenaar geschiedenis was geworden. Hoe dit ook zij, het lijkt wel zeker dat in het moderne Engelse scout twee van oorsprong verschillende woorden zijn samengevallen.
1912 Dad’s a good old scout and he’s pretty sure to do it.
1929 Be like Jerry Dillon now – good scout, Jerry – never sober no more.
Zeker is dat de Nederlandse naam en functie schout al heel vroeg in het Amerikaans-Engels bekend waren en zijn overgenomen. De functie van de schout, die namens de regering misdadigers vervolgde, was niet bekend in Engeland: daar was het slachtoffer van een misdaad, of zijn familie, verantwoordelijk voor het zoeken van gerechtigheid. De Yankees zagen dat het Nederlandse systeem objectiever was en beter werkte, en daarom namen zij de functie van schout over, aanvankelijk met de benaming scout, en zij voerden deze functie ook in de andere kolonies in. Uiteindelijk werd de naam scout vervangen door die van district attorney – een benaming die in Groot-Brittannië niet wordt gebruikt.
In 1789 bepaalde het Eerste Amerikaanse Congres: “I also nominate, for District Judges, Attorneys, and Marshals, the persons whose names are below.” In 1809 noemt Knickerbocker de schout nog in zijn A History of New York, maar tegen die tijd is het een historische term geworden, ook in de Lage Landen overigens. De eerste Nederlandse schout was trouwens Adriaen Cornelissen van der Donck, zie yonkers.
1664 Scout, Burgomastrs. & Schepens ordered to summon a court.
1673 91 Deputis … [were] to make choice … of one for a skoute and one for a secretary.
1674 At a Jenerall townd Meting … Captin John semans was Elected … to kepe Cort with the scaut at Jemeco (Krapp 1960)
1695 Wee doe give & graunt unto the said Pattentees … full power & authoritie to Elect & nominate a certaine officer amongst themselves to execute the place of a Scoute.
1809 This potent body consisted of a schout or bailiff, with powers between those of the present mayor and sheriff.
Seneca, een Irokese stam in westelijk New York, een lid van die stam (Craigie, Webster).
– Van Nederlands Sennecaas, verzamelnaam voor de indianen in het gebied rond Lake Oneida in het westen van de staat New York; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog in gebruik.
* Rond wat tegenwoordig Lake Seneca en Lake Oneida heet, woonde in de zeventiende eeuw een Irokese indianenstam die zichzelf Onondowaga’ noemde, wat ‘mensen van de grote heuvel’ betekent.
Het was de belangrijkste Irokezenstam in dat gebied, en leden van de stam kwamen al vroeg in contact met de Nederlanders.
Die gaven hun de naam Sennecaas, ook anders gespeld. De naam Sennecaas gaat terug op een Irokees woord, maar het is niet zeker op welk. Er zijn twee mogelijkheden gesuggereerd: het zou gaan om een verbastering van de naam van hun grootste dorp, Osininka; of het gaat terug op A’sinnika, de Mahicaanse naam voor de stam van de Oneida, die een vertaling is van het Irokese Oneyode’, letterlijk ‘liggend rotsblok’ – een naam die teruggaat op een legende.
Hoe het ook zij, het waren de Nederlanders die de stam de naam Sennecaas gaven. Die naam werd al in 1614 op een kaart geschreven. In 1657 en 1658 bezochten diplomaten van de stam Nieuw-Amsterdam, en in 1659 en 1660 probeerden leden van de stam te interveniëren in de eerste Esopus-oorlog (zie 1.1) en drongen er bij de Nederlanders op aan om te stoppen met de oorlog.
De naam van de stam komt dan ook regelmatig in de Nederlandse stukken voor, op verschillende manieren gespeld, bijvoorbeeld als Senecke, Sinneque, Siniker.
De Yankees namen de naam van de Nederlanders over, en ook zij spelden de naam op verschillende manieren, maar uiteindelijk won de spelling Seneca het. Dat zal wel zijn gebeurd dankzij de gelijknamige Romeinse filosoof.
De Seneca werden door de Engelsen eind zeventiende eeuw samen met de andere Irokezenstammen de ‘People of the Five Nations’ genoemd. Begin achttiende eeuw trokken de Tuscaroras het Irokese gebied binnen en vanaf dat moment spreekt men van ‘People of the Six Nations’. Tegenwoordig wonen er nog steeds Seneca in de staat New York; zij wonen ook in Oklahoma en Canada.
Zij gebruiken nu zelf ook de naam Seneca. Naar hen zijn onder andere Seneca grass, root, oil en Seneca Lake vernoemd. Ook in het moderne Nederlands heet de stam Seneca.
ca. 1614 (map), Sennecas.
1664 3000 of the Seneckes, a people in league with the Mohawkes beyond them, are gathered together.
1694 The Mennissinck Sachems … are afraid that the Sinneques have killed them.
1699 At last one of the great men & one Siniker (Seneca) came over to us.
1709 300 Eastern Indians … were gon to the 5 Nations to pray leave to dwell with them, and … others refusing them, they were gon to the Senecas.
1789 The Ondawagas, or Senacas, Cayugas, Tuscaroras, Onondagas, and Oneidas, … did make, and conclude upon the following articles.
1894 These various tribes of New York Indians, consisting of the remnants of the Senecas, Onondagas, Cayugas, Tuscaroras, Oneidas, St. Regis, Stockbridges, Munsees and Brothertowns, were called the ‘Six Nations.’
stadt-house, gemeentehuis (Craigie, Webster).
– Gedeeltelijke vertaling van Nederlands stadhuis (vroeger ook gespeld als stadthuis); overgenomen in de zeventiende eeuw en tegenwoordig een historische term.
* Een stadhuis is een openbaar gebouw waarin het stadsbestuur zetelt.
Het eerste stadhuis in Nieuw-Nederland werd, uiteraard, opgericht in de enige stad, Nieuw-Amsterdam. De oude stadsherberg werd in 1653 omgetoverd tot Stadt Huys, en hier kwamen iedere maandagochtend de burgemeesters en schepenen die tezamen het stadsbestuur vormden, bij elkaar.
Toen de Engelsen Nieuw-Nederland overnamen, behielden zij de naam stadhuis voor het gemeentelijke centrum in de oorspronkelijke Nederlandse gebieden – niet daarbuiten -, zij het in de aangepaste vorm stadthouse. Nog tot diep in de achttiende eeuw bleef men hier spreken over stadthouses. Pas na de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783), die onder andere zorgde voor nieuwe namen voor het ambtelijke bestuur, werd de Nederlandse term stadt-house historisch en vervangen door town-hall.
1666 The Upper House do think fit … that Smith repay the Tobaccos next Year which he hath already received towards the building of the Great Stadt house.
1695 When he arrived he went to ye Stadt House.
1744 About 4 in the afternoon, the Company broke up, and from thence went to the Stadthouse.
1769 The stadt-house in the city of Annapolis is so much gone to decay that it is become necessary to build a new one, as well for the holding assemblies and provincial courts, as for providing safe and secure repositories for the public records.
Behalve stadt-house kent het Amerikaans-Engels ook statehouse voor ‘zetel van het koloniale bestuur’. Ook dit woord is waarschijnlijk beïnvloed door het Nederlandse stadhuis. Hoewel het woord al iets eerder in het Brits-Engels voorkomt (eveneens ingegeven door het Nederlandse woord), is het waarschijnlijk onafhankelijk daarvan in Amerika gevormd. Al in 1638 komt het woord in Virginia voor, en daarom twijfelen sommigen aan Nederlandse invloed – het eerste Nederlandse stadhuis werd immers pas in 1653 neergezet op het Amerikaanse continent -, maar het Nederlands zal het gebruik van statehouse toch wel versterkt hebben en medeverantwoordelijk zijn geweest voor de ruime verbreiding van het woord (zo ook de OED); het citaat uit 1671 bijvoorbeeld stamt uit Nieuw-Amsterdam. De verengelste term heeft zich, anders dan stadthouse met zijn Nederlandse eerste deel, in ieder geval ver buiten het gebied verbreid waar de oorspronkelijke Nederlandse kolonisten waren gevestigd.
1638 A Levye … is raised for the building of a State howse at James Cittie. (Virginia; Mathews)
1662 The Vpper howse took into Consideracion the place for the Seateing of the State howse. (Maryland; OED)
1671 The Stone Well in the State-House-Yard. (New Amsterdam) Het woord werd ook gebruikt voor een gebouw waar indianen samenkwamen om te vergaderen:
1654 A State-house … covered round about, and on the top with Mats.
1666 Before the Doore of their Statehouse is a spacious walke.
Na de Amerikaanse onafhankelijkheid werd statehouse de benaming voor ‘zetel van een Amerikaanse staat en van het Amerikaanse Congres’ – een functie die het Nederlandse stadhuis nooit heeft bemachtigd.
1786 The State House, the Capitol of Maryland.
Yankee, 1. inwoner van New England, of in het algemeen van de noordelijke staten van de Verenigde Staten; 2. inwoner of burger van de Verenigde Staten (Craigie, DARE, Webster).
– Van de Nederlandse persoonsnaam Jan, waarschijnlijk van Jan-Kees; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en zeer algemeen in gebruik, in gewijzigde betekenis.
* Yankee is een van de meest intrigerende woorden in de Amerikaanse taal. Er is veel over geschreven – vooral veel onzin – maar de herkomst van dit woord, waarmee in het buitenland de Amerikaan in het algemeen wordt aangeduid, blijft onzeker. Voordat we daarop ingaan, is het nuttig om eerst te kijken naar de betekenisontwikkeling die het woord heeft doorgemaakt. Het woord is voor het eerst in schriftelijke bronnen aangetroffen in de tweede helft van de achttiende eeuw. Het wordt dan in Britse mond gebruikt als negatieve benaming voor een New Englander. De allereerste keer komt het voor in een brief van de Britse generaal Wolfe, die in dat jaar in Noord-Amerika streed tegen de Fransen.
Hij schreef over de manschappen uit New England die onder hem dienden.
1758 My posts are now so fortified that I can afford you two companies of Yankees, and the more as they are better for ranging and scouting than either work or vigilance.
De volgende keer dat Yankee voorkomt is in ‘Oppression, a Poem by an American’.

Illustratie 2.40 – Archibald Willards schilderij ‘The Spirit of ’76’ (ca. 1895). Willard schilderde diverse variaties van dit tafereel: de opmars van de yankees op een slagveld gedurende de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. De voorstelling staat ook bekend onder de naam ‘Yankee doodle’. (Originele schilderij in de Western Reserve Historical Society; bron: Wikipedia)
1765 From meanness first this Portsmouth Yankey rose. (OED)
Het gedicht is uitgegeven in Engeland ‘met aantekeningen van een Brit’. Deze merkt bij deze passage op:
“‘Portsmouth Yankey’, It seems, our hero being a New-Englander by birth, has a right to the epithet of Yankey; a name of derision, I have been informed, given by the Southern people on the Continent, to those of New-England: what meaning there is in the word, I never could learn.’ Op dat moment was de spotnaam Yankee dus in Engeland nog niet bekend – wat betekent dat de naam in de VS is ontstaan; ook generaal Wolfe zal hem daar hebben leren kennen. Het daar opvolgende citaat dateert van tien jaar later, en opnieuw is Yankee niet vriendelijk bedoeld.
1775 They [sc. the British troo ps] were roughly handled by the Yankees, a term of reproach for the New Englanders, when applied by the regulars. (OED) In datzelfde jaar 1775 echter, toen de Slagen van Lexington en Concord de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog inluidden, namen de New Englanders zelf de spotnaam over als geuzennaam, en men maakte er direct ook maar een etymologie bij:
1775 We have by this action [at Concord and Lexington] got in reality the name Yankee, which is an Indian word, and was given our forefathers, signifying Conquerors, which these ignoramuses [i.e., the British] give us by way of derision. (Mathews) In hetzelfde jaar schrijft de Amerikaanse dichter John Trumbull:
1775 When Yankies, skill’d in martial rule, First put the British troops to school. (OED) Hieraan wordt toegevoegd als Editor’s note: ‘Yankies – a term formerly of derision, but now merely of distinction, given to the people of the four eastern States.’ Het woord geldt dus inmiddels als een neutrale term, maar dankzij de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog steeg het naar grote hoogte: Yankee, ook verkort tot Yank, werd tijdens deze oorlog voor een Amerikaan definitief een naam om trots op te zijn. Tijdens de oorlog zongen de troepen luidkeels Yankee Doodle, een lied waarvan de herkomst tot op heden onbekend is. In 1909 somde de Amerikaanse muziekhistoricus Sonneck maar liefst zestien theorieën op, die hij vervolgens een voor een weerlegde.
Een van die theorieën – die nog steeds regelmatig wordt herhaald – is dat het teruggaat op een Nederlands nonsensrijm dat op zijn beurt teruggaat op een Nederduits oogstlied. Een dergelijk lied is echter nooit teruggevonden.
Dit denkbeeld is verbreid geraakt door het bekende kinderboek van Mary Mapes Dodge, Hans Brinker or the Silver Skates uit 1865, die (in navolging van andere bronnen) een ‘harvest song’ opneemt die in Nederland heel populair zou zijn ‘though no linguist could translate it’: Yanker didee dudel down Didee dudel lawnter; Yankee viver, voover, vown, Botermelk and Tawnter! Een andere theorie die eveneens regelmatig wordt herhaald en evenzeer onbewezen is, is dat de melodie in 1755 is gecomponeerd door Dr. Shuckburgh, arts in het Britse leger dat onder bevel stond van Jeffrey Amherst. Het lied zou dan oorspronkelijk Brits zijn en gezongen zijn door Britse soldaten die tussen 1754 en 1763 samen met de Amerikanen streden tegen de Fransen en indianen.
De Britten zouden hiermee de spot hebben gedreven met de slecht georganiseerde Yankees – waar generaal Wolfe in 1758 ook al op wees. Het woord doodle betekent in het Engels ‘een dwaze kerel’. Vervolgens zouden de Amerikanen Yankee Doodle als geuzenlied hebben overgenomen – zoals ze ook Yankee van een neerbuigende term opwaardeerden tot geuzennaam. Het probleem met dit verhaal is dat er geen enkele schriftelijke bewijsplaats is gevonden dat Britten Yankee Doodle zouden hebben gezongen – er wordt pas vanaf 1775 gerapporteerd over het lied en dan komt het uitsluitend uit Amerikaanse soldatenkelen. Zeker is wel dat de verbreiding en waardering van Yankee Doodle en Yankee hand in hand zijn gegaan.
Vanaf 1784 gingen Britten het woord Yankee gebruiken voor een bewoner van de VS in het algemeen, een Amerikaan.
Dit gebruik werd nagevolgd door andere volkeren en uiteindelijk ook wel door Amerikanen zelf. En in de loop van de tijd sloeg de negatieve gevoelswaarde zelfs om in een positieve, onder andere dankzij de Amerikaanse interventie in de twee wereldoorlogen die in de twintigste eeuw werden uitgevochten.
ca. 1784 I … am determined not to suffer the Yankies to come where the ship is. (Nelson)
1796 Their wit was particularly directed against a ‘Yankee’ who was one of the company. We apply this designation as a term of ridicule or reproach to the inhabitants of all parts of the United States indiscriminately; but the Americans confine its application to their countrymen of the Northern or New England States. (OED)
1833 In England we are apt to designate all Americans as Yankees, whether they are born under the burning sun of Louisiana, or frozen up five months in the year on the shores of the Lake of the Woods.
In de negentiende eeuw gingen bewoners van de zuidelijke staten van de VS hun noorderburen Yankees noemen, en dat bedoelden ze niet vriendelijk.
Dit gebruik beleefde een hoogtepunt tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865), maar is nog niet verdwenen, en omdat de term Yankees inmiddels ook als geuzennaam gold, voegt men er voor de duidelijkheid damned aan toe.
1812 Take the middle of the road, or I’ll hew you down, you d’---d Yankee rascal.
1861 The soil may be sacred, but we sacrilegious Yankees can’t help observing that it is awfully deficient in manure.
1865 [The] newspapers have persuaded the masses that the Yankees (a phrase which they no longer apply distinctively to New Englanders, but to every person born in the North) … are arrant cowards.
Het woord Yankee heeft dus de volgende betekenisontwikkeling doorgemaakt: eerst was het in de mond van Britten een scheldwoord voor een New Englander, daarna werd het door New Englanders overgenomen als geuzennaam, en vervolgens werd er niet alleen meer een New Englander, maar ook een bewoner van een van de noordelijke staten of zelfs een bewoner van de VS in het algemeen mee aangeduid. Afhankelijk van de taalgebruiker heeft het woord een positieve of negatieve connotatie.
Maar waar komt het woord nu vandaan? Al sinds 1775 – zeventien jaar na het eerste schriftelijke voorkomen van het woord – heeft men hierover gespeculeerd. De eerste theorieën zochten de oorsprong in een indianenwoord. In 1775 (zie ook het citaat hierboven) werd geopperd dat het woord terugging op de naam van een indianenstam, the Yankoos, wat ‘onoverwinnelijken’ zou betekenen, maar helaas is een dergelijke naam nooit aangetroffen. In 1789 opperde een Britse officier die had gevochten in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en die dus niet helemaal objectief genoemd kan worden, dat de naam terugging op een Cherokee-woord eankke dat ‘slaaf, lafaard’ zou betekenen en dat ermee zou worden gerefereerd aan het feit dat de bewoners van New England de indianen in het verleden niet hadden geholpen toen deze in oorlog waren.
In hetzelfde jaar beweerde William Gordon in History of the American War dat het omstreeks 1713 een stopwoord was van een zekere boer Jonathan Hastings uit Cambridge, Massachusetts, die het gebruikte in de zin van ‘voortreffelijk’.
In 1822 werd gesuggereerd dat het woord een verbastering zou zijn van het woord English in de mond van Noord-Amerikaanse indianen. Uiteraard kon Washington Irving het niet nalaten om, via zijn woordvoerder Diedrich Knickerbocker, met een nieuwe theorie te komen. In hoofdstuk 21 van A History of New York schrijft hij: The simple aborigines of the land for a while contemplated these strange folk in utter astonishment, but discovering that they wielded harmless, though noisy weapons, and were a lively, ingenious, goodhumored race of men, they became very friendly and sociable, and gave them the name of Yanokies, which in the Mais-Tchusaeg (or Massachusett) language signifies silent men – a waggish appellation, since shortened into the familiar epithet of Yankees, which they retain unto the present day.
Voor geen van deze beweringen is ooit aanvullend bewijs gevonden. En hiermee is de lijst van mogelijke theorieën nog lang niet uitgeput. Mencken geeft in zijn eerste supplement uit 1945 op pagina’s 192-197 een opsomming van zestien verschillende etymologieën van het woord Yankee die in de loop van de tijd zijn gesuggereerd, de een nog onwaarschijnlijker dan de ander.
Inmiddels bestaat er een zekere consensus dat het woord teruggaat op een vorm van de Nederlandse voornaam Jan – het equivalent van het Engelse John en eeuwenlang de meest voorkomende Nederlandse voornaam. Maar de geleerden zijn het nog niet eens over de precieze vorm waarop Yankee teruggaat.
Zeker is dat al heel vroeg Yankey als persoonsnaam of bijnaam voorkwam, het eerst als bijnaam van een Nederlandse piratenkapitein wiens echte naam John Williams (Jan Willemsz?) luidde:
1683 [The pirates] sailed from Bonaco …; chief commanders, Vanhorn, Laurens, and Yankey Duch. … [They] put eight hundred man into Yankey’s and another ship.
1684 A sloop … unlawfully seized by Captain Yankey.
1687 Captains John Williams (Yankey) and Jacob Everson (Jacob).
1687-88 The pirates Yanky and Jacobs.
1725 Item one negroe man named Yankee to be sold.
1788 The students . . . gave him [Jonathan Hastings] the name of Yankee Jon.
Hierbij gaat het telkens om een specifieke persoon, niet om het algemene woord Yankee. Het bewijst wel dat de naam vanaf de zeventiende eeuw aan de oostkust van Amerika bekend was.
Er worden drie Nederlandse namen geopperd waarop Yankee of Yankey kan teruggaan. De eerste, ondersteund door de OED, Klein en Quinion en overgenomen in talloze buitenlandse etymologische woorde nboeken, is de naam Janke. Janke zou een Vlaams verkleinwoord zijn van de voornaam Jan, het Nederlandse equivalent van John. (Het Hollandse verkleinwoord van die naam luidt sinds begin zeventiende eeuw Jantje en vóór die tijd Janneke, wat als vrouwennaam werd gebruikt of voor kleine jongens, niet voor volwassen mannen.) Een onoverkomelijk probleem met deze etymologie is dat in het Vlaams het verkleinwoord Janke niet bestaat, en ook vroeger niet heeft bestaan: de enige voorkomende vorm is Janneken met de tussenklank -e-, precies zoals in het Hollands. Een dergelijke Nederlandse tussenklank wordt in het Amerikaans-Engels overgenomen als -i-, zo blijkt uit bijvoorbeeld pannicake en waarschijnlijk ook killifish. Een bijkomend probleem is dat er een behoorlijk aantal Nederlandse verkleinwoorden is overgenomen in het Amerikaans-Engels, en dat deze allemaal teruggaan op de Hollandse vorm -(t)je en niet op de Vlaamse vorm -(e)ke. Denk aan blumachies ‘bloemetjes’ en frowchey ‘vrouwtje’ (genoemd onder 2.2 Easter flower respectievelijk 2.4 frow). In geen van deze vormen treedt een -k- op.
Op www.rootsweb.ancestry.com/~nycoloni/daimm.html is een prachtig overzicht te vinden van de namen van immigranten die tussen 1621 en 1664 naar Nieuw-Nederland trokken. Op de passagierslijsten blijken zeer veel Jannen te staan (119 keer als eerste voornaam). Verder komt acht keer de vrouwennaam Jannetje voor – een afleiding van Jan en een bewijs dat de verkleinvorm in die periode -tje was.
Tot slot voer één Janneken mee (met de tussenklank -e-); zij was afkomstig uit Noord-Brabant, waar een zuidelijk dialect wordt gesproken.
Als alternatieve bron voor Yankee is daarom wel de naam Jan-Kees voorgesteld, eveneens een gebruikelijke voornaam, een combinatie van Jan en Kees; Kees is de roepnaam van Cornelis. Logeman, die in 1929 een poging heeft gedaan om de naam Yankee te verklaren, ziet in Jan-Kees niet de normale dubbele voornaam, maar een variant van Jan Kaas, waarmee men in het algemeen een Hollander aanduidt, iemand die afkomstig is uit het kaasland bij uitstek, vergelijkbaar met de Engelse benaming John Bull. Deze verklaring wordt tot op heden veel overgenomen, onder anderen door Mencken in zijn eerste supplement en door Barnhart.
Opnieuw echter is er een onoverkomelijk probleem, ditmaal in de chronologie: Jantje Kaas is weliswaar inderdaad een spotnaam voor een Hollander, maar die naam stamt uit Vlaamse negentiendeeeuwse koker: de naam is ontstaan in de periode dat Nederland en België samen behoorden tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I, van 1815 tot 1830, of direct daarna, toen de Belgen zich hadden afgescheiden.
‘By ons heet elke hollander Jan-kaes’, schreef Jan Frans Willems, een van de leden van de Vlaamse Beweging.
Jantje Kaas werd in Vlaanderen ook een bijnaam voor Koning Willem I, en met de uitdrukking iemand soldaat maken bij Jantje Kaas bedoelde men ‘iemand doden’.
Hiermee blijft alleen de voornaam Jan-Kees als verklaring voor Yankee over – de enige verklaring die juist niet in de verschillende etymologische woordenboeken wordt gesuggereerd.
De betekenisverschuiving is gemakkelijk te verklaren. Het bleek al dat Jan een veelvoorkomende naam was onder de eerste Nederlandse kolonisten in Nieuw- Nederland. Uit het overzicht op www.rootsweb.ancestry.com/~nycoloni/daimm.html blijkt bovendien dat er vele Cornelissen – roepnaam Kees – waren (op de passagierslijsten hadden 44 mannen deze naam als eerste voornaam), en dat ook de naam Jan Cornelisz – roepnaam Jan-Kees? – een aantal malen voorkomt.
Het is daarom goed voorstelbaar dat de Engelsen in New England de Nederlanders in de naburige kolonie Nieuw-Nederland minachtend aanduidden als de Jannen en Kezen of de Jan-Kezen. Nadat de Engelsen Nieuw-Nederland hadden ingelijfd, bleven de Nederlandse Jannen en Kezen daar gewoon wonen. De naam Jan-Kezen bleef dan ook in gebruik, maar werd nu betrokken op de hele bevolking van New England, ook de Engelssprekenden: Jan-Kezen werden Yankees. Het woord Yankees werd beschouwd als een meervoudsvorm, waarvan men het enkelvoud Yankee maakte. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw is het woord in geschreven bronnen aangetroffen, maar dat is niet vreemd voor een woord dat afkomstig is uit de spreektaal en zijn carrière is begonnen als scheldwoord of spotnaam.
Grappig is dat het oorspronkelijk Nederlandse karakter van Yankee nog steeds bewaard is gebleven. Dat blijkt uit de betekenisomschrijving die Webster in 1961 geeft na de algemene betekenis ‘inwoner van New England’, namelijk die van ‘een New Englander die afstamt van oude New Englandse familie, in het bijzonder: iemand die karaktertrekken bezit (zoals behoudzucht, zuinigheid, koppigheid of sluwheid) die traditioneel worden geassocieerd met inwoners van New England. Al deze eigenschappen worden veelal ook geassocieerd met Nederlanders en ze zijn vast mede te danken aan de oorspronkelijke Nederlandse kolonisten.
Tegenwoordig denken de meeste Amerikanen, en velen buiten de VS, bij Yankees het eerst aan het professionele baseballteam dat sinds 1913 onder deze naam uitkomt voor de stad New York en ook wel voluit New York Yankees genoemd wordt. Het is dan ook verbazingwekkend dat Amerikaanse woordenboeken niet als eerste betekenis van Yankee ‘lid van het New York Yankees baseballteam’ vermelden. Misschien in de volgende druk.
yonkers, van de stad Yonkers in New York (Craigie, Webster).
– Van Nederlands jonker, jonkheer ‘adellijke man’, samenstelling van jong en heer; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog in gebruik.
* De Nederlandse adellijke titel jonkheer, ook verkort tot jonker, is in de zestiende eeuw in het Brits-Engels overgenomen.
Hij was ook bekend in het Amerikaans-Engels, en dat was te danken aan de Nederlandse landeigenaar Adriaen Cornelissen van der Donck. Van der Donck, die al ter sprake kwam bij groundhog (in 2.2) begon als scout bij patroon Kiliaen van Rensselaer.
Dit duurde van 1641 tot 1644, maar was geen succes vanwege de eigengereidheid van Van der Donck. In 1645 kreeg Van der Donck voor bewezen diensten aan gouverneur Willem Kieft een stuk land, dat hij Colen Donck ‘kolonie Donck’ noemde. Het gebied was zo groot dat vanaf dat moment Van der Donck in de Nederlandse archieven ‘de Jonker’ wordt genoemd – hoewel hij nooit een adellijke titel heeft gehad. Men zei dat men naar de Jonker of naar het Jonkers Land ging.
In de Engelse tijd paste men de spelling van het woord aan de uitspraak aan en liet men het lidwoord weg. Het gebied behield de naam Yonkers ook na Van der Doncks dood, zelfs tot op heden.
1666 Mary [Oneale] … laid clayme to a certaine parcell of Land … Commonly called ye Younckers Land … [and] brought seuerall Indians before ye Governor to acknowledg the purchase of ye said Lands by Vander Dunck commonly called ye Younker.
1668 The Def[endan]t … hath purchased Land near adjoyning that was the Youncker Van der Duncks.
1754 Even if the real line of Jersey is to run from the Forks of Delaware … to the Station on Hudson’s River opposite to the lower Yonkers.
Toch is er wellicht nog een tweede reden waarom Yonkers Yonkers heet.
Enkele jaren na de dood van de oorspronkelijke ‘jonkheer’ kwam het landgoed met de omringende terreinen namelijk in handen van een zekere Frederick Philipse (eigenlijk Flypse), afkomstig uit Friesland. Hij begon als eenvoudige timmerman, maar werkte zich op tot grootgrondbezitter, mede dankzij huwelijken met rijke dames.
Hij werd wel ‘the Dutch millionaire’ genoemd. In 1693 kreeg hij het recht om zich ‘lord of the Manor of Philipsburgh’ te noemen. Hij bezat ook nog een ander stuk land dat Fredericks-borough heette, en waar Washington Irving alias Diedrich Knickerbocker – Irving ligt hier begraven – The Legend of Sleepy Hollow liet afspelen. Het plaatsje Sleepy Hollow werd in deze legende opgeschrikt door een ruiter zonder hoofd. Het verhaal is vele malen verfilmd; de bekendste versie is waarschijnlijk uit 1999 met Johny Depp.
Het plaatsje heet trouwens pas sinds 1977 officieel Sleepy Hollow, om toeristen te lokken; voordien heette het North Tarrytown.
De achterkleinzoon van deze Frederick Philipse, die de titel had geërfd van zijn overgrootvader, was de laatste lord of the manor. Hij werd namelijk verdacht van sympathie met de Engelsen en daarom werd hij tijdens de revolutie verbannen; zijn landgoed werd geconfisqueerd en in 1783 moest hij naar Groot-Brittannië vluchten. Volgens Schele de Vere is de naam Yonkers aan deze Philipse te danken:
1872 The Dutch word Yonker in the sense of the French Cadet and the German Junker, survives in the name of the town of Yonkers. The Right Reverend Bishop Kip states, in his charming sketches of former times, that he remembers visiting, in his early days, the old manor-house of the Phillipse family, still standing in Westchester on the Hudson. “When, before the Revolution, Mr. Phillipse lived there – lord of all he surveyed – he was always spoken of by his tenantry as the Yonker, the gentleman by excellence. In fact, he was the only person of social rank in that part of the country. In this way the town, which subsequently grew up around the old manor-house, took the name of Yonkers.
Hiermee krijgt Philipse ongetwijfeld te veel eer, maar het voortleven van de naam Yonker zal zeker geholpen zijn door de grandeur waarmee Philipse zich omringde. Inmiddels is Yonkers de vierde stad in de staat New York. Yonkers, meestal met een hoofdletter gespeld, wordt gebruikt om iets of iemand van de stad Yonkers mee aan te duiden, bijvoorbeeld: a Yonkers resident; een Yonkersite is ‘iemand die woonachtig is in of afkomstig uit Yonkers’.
Daarnaast zijn in Webster 1961 ook de ingangen yonker en younker opgenomen, met als betekenissen ‘jongeman’ en archaïsch ‘jongste matroos’. Deze woorden gaan terug op hetzelfde Nederlandse jonker en jonkheer, maar het zijn latere ontleningen die wel via het Brits-Engels zullen zijn gegaan, want in die taal zijn ze al sinds de zestiende eeuw bekend.