bazoo, mond, waffel (Craigie, DARE).

– Verbastering van Nederlands bazuin ‘soort trompet of hoorn’; overgenomen in de negentiende eeuw en nog algemeen in gebruik als slangwoord.

* De betekenissen die Craigie vermeldt, tonen de betekenisontwikkeling aan.

Aanvankelijk is het woord overgenomen met de Nederlandse betekenis ‘(speelgoed)trompet’; en vandaar als naam voor een krant, The Bazoo. Hieruit ontstond de betekenis ‘grootspraak’: het luid verkondigen – ‘trompetteren, rondbazuinen’ – van de eigen roem; he blows his own bazoo voor iemand die opschept en zich opdringt. De volgende stap is naar dat waarmee men pocht: de mond. De chronologische ontwikkeling van de betekenissen blijkt ook uit onderstaande citaten uit Craigie:

1877 Blowin’ his bazoo, gasconade.

1884 People … listen to the silvery tinkle of his bazoo.

1888 Among the far-west newspapers, have been, or are, … The Bazoo, of Missouri.

1902 You are jest my sort of a Christian – better’n me, a sight, fer you don’t shoot off yore bazoo on one side or t’other.

1906 We’ve had enough of your bazoo.

1906 Shut up your bazoo.

In het Amerikaans-Engelse slang worden bazoo ‘mond’ en de uitdrukking shooting off one’s bazoo voor ‘overdreven en opschepperig praten’ nog steeds gebruikt. Dit zijn allemaal eigen ontwikkelingen van het Amerikaans-Engels, want in het Nederlands betekent bazuin alleen maar ‘trompet’.

afbeelding

Illustratie 2.64 – Bazoo, advertentie voor Bell Company Telephones (bron: The Printing Art, deel 5, nr. 4, jun. 1905)

DARE vermeldt dat deze betekenissen ook voorkomen in het regionale Amerikaans-Engels, waarbij die van ‘opschepperij’ tegenwoordig vooral in het westen gebruikt wordt. Interessant is nog een betekenis die alleen regionaal bekend is, namelijk die van ‘achterwerk’. Deze betekenis is als spotnaam genoteerd, ook uitgesproken als bazoon of bazookas.

Hoe deze betekenis is ontstaan, is niet direct duidelijk.

Voorts vermeldt DARE de regionale benaming bazoo wagon, met een citaat uit 1977 waar als verklaring wordt gegeven: ‘de laatste wagon van een goederentrein’.

Bazoo wagon is gevormd van bazoo ‘mond’ en wagon; waarschijnlijk ook beïnvloed door zoo, en in klank door caboose (zie caboose in 2.8).

Van bazoo is in het Amerikaans-Engels het woord bazooka afgeleid als naam voor een trombone-achtig instrument, dat omstreeks 1935 algemeen bekend is geworden door de Amerikaanse komiek Bob Burns. In 1942 werd de naam van het muziekinstrument overgedragen, vanwege de vormgelijkheid, op ‘een buisvormig wapen om kleine raketten mee af te vuren’. Met die betekenis is het woord bazooka door vele talen, waaronder het Nederlands, geleend uit het Amerikaans-Engels.

dingus, hoe-heet-het-ook-al-weer, huppeldepup, ding waarvan men de naam kwijt is (Craigie, DARE, Webster).

– Van Nederlands dinges ‘hoe-heet-hetook- al-weer, huppeldepup’; overgenomen in de negentiende eeuw en nog in gebruik.

* Het Nederlandse woord dinges is, waarschijnlijk onder invloed van het Duitse Dings, afgeleid van ding.

Het is typische spreektaal, net als het Amerikaans-Engelse dingus.

Het wekt dan ook geen verbazing dat er in het Amerikaans-Engels diverse spellingvarianten bestaan; zo vermeldt DARE de vormen dangus, dinkus, dingass, dingis. In het Amerikaans-Engels wordt het eufemistisch en vulgair ook gebruikt voor ‘penis’. Dankzij een contaminatie van dingus in deze betekenis en het gelijkbetekenende dick is bovendien de vorm dink voor ‘penis’ ontstaan, ook gebruikt als minachtend woord voor een persoon of dier.

1876 The latest thing in the way of a soul-warmer that the youths of Pioche have got up is a dingis made thusly.

1882 Taking a plug out of the end of it, they pull out a dingus and three joints of fish-pole come out.

1955 At the top of the plant was a queer-looking, half-formed cluster of pale berries. “What kind of a dingus do you call that?” Reno asked.

1982 I have secretly recorded some of the unusual phrases … in my mother’s conversation … Dinkus = penis.

2009 The word “dingus” came about through the popular movie, “The Maltese Falcon” where the star, Humphrey Bogart, refers to the Maltese falcon as “The Dingus”.

So, the definition of the word “dingus” is a way of referring to any noun (including people) in an offhand manner. — Who did you go to the movies with? Eh, some dingus. — Could you please pass the dingus? (Urban Dictionary op internet)

2009 A complete moron, usually used in a joking manner to a friend.

“Dude, stop being such a dingus.” (Urban Dictionary op internet)

hunky-dory, prima, in orde, kits (Craigie, DARE, Webster).

– In de negentiende eeuw afgeleid van hunk, dat is ontleend aan Nederlands honk ‘vrijplaats, meet’; hunky-dory is een algemeen verbreid slang-woord.

* Het oudste citaat waarin hunky-dory voorkomt, uit 1866, gaat direct al over de vraag waar het beeldende woord eigenlijk vandaan komt:

1866 I cannot conceive on any theory of etymology that I ever studied why anything that is ‘hunkee doree’, or ‘hefty’ or ‘kindy dusty’ should be so admirable.” (The Galaxy, October 1866) De auteur heeft geen idee, maar inmiddels is het inzicht gelukkig voortgeschreden. Zeker is dat de kiem van het woord ligt in het Nederlandse kinderspel dat als hunk ‘vrijplaats, meet of doel’ was overgenomen in het Amerikaans-Engels (zie hunk in 2.11).

Van dit zelfstandige naamwoord werd het bijvoeglijke naamwoord hunky afgeleid, bekend vanaf 1843, met de betekenis ‘prima, in orde’. Hierna werd dory toegevoegd. Dat zal in de spreektaal zijn gebeurd, waarschijnlijk als grappige, verlengde vorm – al eerder, in 1842, was de reduplicatie hunkum-bunkum gevonden (‘Everything was hunkumbunkum for immediate flight’), en hunkydory (of honkey-dorey) zal een variatie hierop zijn geweest. Op woorden die ‘prima, in orde’ betekenen, wordt vaker gevarieerd; denk bijvoorbeeld aan okeydokey naast OK, okay.

1868 [Even Samuel Slater admitted that Tostee, when and if she sang, was] hunky-dory.

1875 He was all ‘hunky-dory,’ in certain quarters.

1894 ‘Oh, we’re hunkidori in a box!’ declared the bridegroom.

2009 I checked the situation; everything is hunky dory, we have nothing to worry about. (Urban Dictionary op internet) In 1877 gaf Bartlett een andere verklaring voor de herkomst van hunky-dory, die nog regelmatig wordt herhaald, namelijk: ‘Hunkidori ‘heel erg goed’; het woord zou geïntroduceerd zijn door “Japanese Tommy” en afgeleid zijn van de naam van een straat of markt in Tokyo.’ Japanese Tommy was de toneelnaam van de variétéartiest Thomas Dilward die in de jaren zestig van de negentiende eeuw in de VS heel populair was.

Hij was een zwarte dwerg, en hij kende geen Japans en was waarschijnlijk ook nooit in Japan geweest: hij werd Japanese genoemd om zijn echte etnische achtergrond te verbergen voor het blanke publiek. Het is mogelijk dat Tommy de uitdrukking hunky-dory populair gemaakt heeft of zelfs heeft verzonnen.

Daarbij is hij dan uitgegaan van de bestaande woorden hunky en hunkumbunkum, en heeft hij het element dori toegevoegd. Niet uitgesloten is dat hij daarbij is geïnspireerd door matrozen die in Japan waren geweest en daar de Japanse term honcho-dori hadden opgepikt; dit betekent ‘hoofdstraat’ – misschien hadden de matrozen toen ze thuis kwamen wel de mond vol over de Japanse hunky-dori-straat waar allerlei vermaak werd geboden. Maar noodzakelijk is de Japanse connectie niet: hunky-dori kan gewoon een goed klinkende variant van hunky zijn geweest.

Ook de naam van de zanggroep de Christy Minstrels wordt trouwens in dit verband wel genoemd: deze groep zong volgens het Morris Dictionary of Word and Phrase Origins tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) een zeer populair lied, getiteld ‘Josephus Orange Blossom’, met daarin de regel red-hot hunky-dory contraband. De populariteit van de uitdrukking hunky-dory werd in deze periode kennelijk via verschillende wegen vergroot.

poppycock, kletspraat, onzin (Craigie, Webster).

– Van Nederlands poppekak, letterlijk ‘kak, stront van een pop’; overgenomen in de negentiende eeuw en nog in gebruik.

* In het Amerikaans-Engels klinkt het informele poppycock behoorlijk oubollig; er zijn andere en sterkere synoniemen voor in de plaats gekomen, zoals crap, bull of bullshit. Het zijn tegenwoordig meer keurige Britten die spreken van poppycock.

Toch is het woord aanvankelijk overgenomen in de VS. In de meeste woordenboeken valt te lezen dat het woord teruggaat op het Nederlandse pappekak, letterlijk ‘kak zo zacht als pap, zachte poep’, een samenstelling van pap en kak. Dat woord is echter nooit aangetroffen in het Nederlands, ook niet in de vorm papkak.

Daarom veronderstelt men tegenwoordig dat het woord teruggaat op het Nederlandse poppekak, letterlijk ‘kak van een pop’, samengesteld uit pop en kak. Een bekende Nederlandse uitdrukking luidt zo fijn als gemalen poppestront, waarmee een streng gelovig iemand wordt bedoeld. In het Fries zegt men: hy is sa fyn as poppestront ‘hij is poepvroom, ultra-orthodox en een tikkeltje schijnheilig’. Stront en kak zijn synoniem, en hoewel de uitdrukking zo fijn als gemalen poppekak niet is aangetroffen in geschreven bronnen, ligt het voor de hand dat hij bestaan heeft naast de versie met poppestront – omdat de uitdrukking geldt als vulgair wordt ze niet snel opgeschreven.

Poppestront komt in Nederlandse dialecten ook voor met de betekenis ‘nodeloze drukte, overdreven vriendelijkheid’; die betekenis heeft bijvoorbeeld het Limburgse poppesjtrontj.

Wat een poppestront! betekent dan ‘wat een ophef!’, en de stap naar ‘wat een onzin!’ is dan snel gemaakt.

Het is niet duidelijk wanneer het Amerikaans-Engels het woord geleend heeft, maar het meest waarschijnlijk lijkt in de negentiende eeuw, want een uitdrukking als zo fijn als gemalen poppestront hoort eerder thuis in de kritische negentiende eeuw dan in de zeventiende, toen het geloof nog zó’n belangrijk onderdeel was van de maatschappij, dat het onwaarschijnlijk is dat men zich negatief uitliet over mensen die sterk gelovig waren. Terwijl het woord poppestront of poppekak in het Nederlands zeker in de negentiende eeuw als vulgair gold, doorzagen de Engelssprekenden de letterlijke betekenis niet, en daardoor kon de uitdrukking in het Amerikaans-Engels een veel grotere verbreiding krijgen dan in het Nederlands. Dat de betekenis niet doorzien wordt, blijkt wel uit het feit dat de Lincoln Snacks Company een bekende geglaceerde popcornsoort verhandelt onder de merknaam poppycock – volgens de bedrijfslegende is de snack uitgevonden door Howard Vair in de jaren vijftig van de twintigste eeuw.

Het woord poppycock maakte in het Amerikaans-Engels de normale klankverandering door: de a in kak veranderde in o (vergelijk boss), en de tussenklank werd -y- (vergelijk pannicake). Het woord is vanuit het Amerikaans-Engels omstreeks 1910 verbreid naar Groot-Brittannië.

1852 ‘Justice,’ said the policeman, … ‘I’m blamed if this will do.’ ‘Poppycock,’ answered the Justice, ‘it’s all right; sit down and mingle.’

1865 You won’t be able to find such another pack of poppycock gabblers as the present Congress of the United States.

1890 All their alleged wealth and respectability is poppycock.

1904 ‘Bosh!’ cried the lawyers.

‘Poppycock,’ the cynics sneered, and the courts rule out the cases.

spook, geest (Craigie, Webster).

– Van Nederlands spook; waarschijnlijk overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en nog in gebruik, met nieuwe betekenissen.

* Vrijwel alle Nederlandse leenwoorden die zijn overgenomen in het Amerikaans-Engels zijn bekend geworden door mondelinge contacten tussen Engels- en Nederlandssprekenden. Maar dat lijkt niet te gelden voor spook. Dit woord wordt pas in 1801 voor het eerst genoemd, wat laat is voor een woord dat met de eerste stroom Nederlandse kolonisten is meegenomen. Kennelijk is het lange tijd alleen in Nederlandse kringen gebruikt, misschien omdat men spookverhalen alleen in huiselijke kring vertelde.

Het Amerikaans-Engels heeft het woord waarschijnlijk leren kennen via de literatuur, want de oudste twee citaten zijn allebei literaire citaten. De eerste vermelding is in een gedicht in de Massachusetts Spy van 15 juli 1801, geschreven door een zekere Hans, waarin Nederlands en Duits aandoende woorden en spellingen voorkomen (geciteerd in Thornton):

1801 If any wun you heart shool plunder, Mine horses I’ll to Vaggon yoke, Und chase him quickly; – by mine dunder I fly so swift as any spook Ook het volgende citaat is uit een literair werk:

1840 Be’t you for sartain, or only your spook? Maar daarna is het woord kennelijk algemeen bekend geworden – het wordt nu in een krant gebruikt:

1884 He was really run out of a fine position by spooks.

En in 1896 is te lezen ‘You look just ’s if you’d seen a spook!’, wat een letterlijke vertaling is van het Nederlandse je ziet eruit alsof je een spook hebt gezien! Overigens kan het Duitse woord Spuk ook invloed hebben gehad op het Amerikaans-Engels, zoals Schele de Vere terecht opmerkt:

1872spook, which may be the Dutch spook, a spirit or a ghost, or the German Spuek, a phantom or a vision.

The manner of writing it speaks for the former presumption, and so does the fact that the word is not only used in the British colonies, but even by classic writers like Lord Lytton.

But, on the other hand, spooks prevail most in regions where Germans abound, as in the great Valley of Virginia and in the Northwest.

Waar het succes van het woord in het Amerikaans-Engels aan te danken is, is niet duidelijk: waarom voldeden ghost, phantom en dergelijke niet? Al in 1854 werd het bijvoeglijk naamwoord spooky afgeleid en in 1867 vinden we het werkwoord to spook – ook dat verschijnt voor het eerst in een gedicht: ‘Yet still the New World spooked it in his veins, / A ghost who could not lay with all his pains.’

En in 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog, noemden Amerikanen hun spionnen spooks.

Het Brits-Engels heeft het woord spook en zijn afleidingen overgenomen uit het Amerikaans-Engels.

afbeelding

Illustratie 2.65 – Spook; tekenaar: Howard Chandler Christie; uit: James Whitcomb Riley, ‘An olde sweetheart of mine’, 1903 (bron: The Printing Art, deel 3, nr. 4, juni 1904)