2.0 Inleiding: bronnen en inrichting van het glossarium
In onderstaand glossarium ligt de nadruk op Nederlandse leenwoorden in het Amerikaans-Engels die nog steeds voorkomen – hoewel sommige ervan inmiddels historische termen zijn geworden -, en op woorden die in meerdere bronnen zijn vermeld. De woorden zijn vooral verzameld uit de vele woordenboeken die de bijzondere Amerikaans-Engelse woordenschat beschrijven (zie de literatuur achter in dit boek). Een minderheid van de woorden is inmiddels uit het Amerikaans-Engels verdwenen. Nederlandse leenwoorden in het Amerikaans-Engels die slechts één of enkele malen genoemd worden, zijn niet opgenomen. Als voorbeeld kan de volgende lijst uit Menckens The American Language uit 1937 dienen. Op pagina’s 109-110 schrijft Mencken in noot 2:
‘Mr. Karl von Schlieder of Hackensack, N.J., sends me a list of curious forms encountered near Kingston, N.Y. It includes pietje-kamaakal (unreasonable), surallikus (so-so), zwok (soft, slippery), connalyer (crowd), klainzaric (untidy), haidang (nothing), onnozel (outlandish), poozly (whining), feaselick (undesirable), kanaapie (child), aislick (no-account), brigghity (impudent), and bahay (confusion). That all of these are of Dutch origin is not certain …’
Geen van deze woorden komt in een andere Amerikaans-Engelse bron voor, en daarom zijn de woorden hier niet opgenomen.
Van ieder trefwoord wordt de (moderne) betekenis gegeven. Vervolgens wordt aangegeven of het woord vermeld is in het vierdelige A Dictio nary of American English on Historical Principles van William A. Craigie en James R. Hulbert uit 1938-1944 (afgekort als Craigie), in het Dictionary of American Regional English (1985-) onder hoofdredactie van Frederic G. Cassidy en Joan Houston Hall (afgekort als DARE; verschenen tot en met Sk-) en/of in Webster’s Third (Webster) uit 1961. Deze drie woordenboeken zijn gekozen omdat zij ieder op hun eigen terrein de uitgebreidste woordverzameling van het Amerikaans-Engels vertegenwoordigen: Craigie op het gebied van amerikanismen, DARE op het gebied van het regionale Amerikaans-Engels, en Webster als hedendaagse beschrijving van de complete Engelse woordenschat in de VS. Zo kan men in één oogopslag uit de bronvermelding opmaken wat de bekendheid en verspreiding van een bepaald woord is: een woord dat alleen vermeld staat in DARE wordt slechts regionaal gebruikt, een woord dat alleen vermeld staat in Craigie is inmiddels verouderd, een woord dat in alle drie de woordenboeken is vermeld, geldt als algemeen bekend en verspreid.
Na trefwoord, betekenis en bron volgt op een nieuwe regel korte informatie over de herkomst van het Amerikaans-Engelse woord, de periode waarin het waarschijnlijk uit het Nederlands is geleend en de verspreiding en bekendheid van het woord (gebaseerd op informatie uit woordenboeken, niet op wetenschappelijk corpusonderzoek). De indicatie van de periode waarin de woorden zijn geleend, is gebaseerd op het eerste voorkomen van de woorden en de verbreiding ervan: een woord dat alleen in en rond New York voorkomt, is waarschijnlijk afkomstig van de zeventiende-eeuwse Nederlandse kolonisten. Aan het eerste voorkomen van de woorden wordt slechts relatieve waarde gehecht: woorden die in de zeventiende of achttiende eeuw zijn vermeld, stammen uiteraard van de eerste kolonisten. Maar woorden die in de negentiende eeuw zijn vermeld, hoeven niet per definitie afkomstig te zijn van de tweede stroom immigranten. Het kunnen ook taalrestanten van de eerste Nederlanders zijn. Het duurt namelijk meestal enige tijd, soms zelfs lange tijd, voordat een leenwoord in de overnemende taal wordt opgeschreven. Zo is bijvoorbeeld dobber voor het eerst genoemd in 1809; desondanks wordt verondersteld dat het geleend is in de zeventiende of achttiende eeuw, omdat het in 1809 beschreven wordt als een ingeburgerd Nederlands woord in New York. Woorden verschijnen dus soms pas laat in woordenboeken en gedrukte teksten. Daar komt bij dat pas in 1781 opgemerkt is dat het Amerikaans-Engels een eigen weg ging, onafhankelijk van het Brits-Engels – de term Americanism werd toen voor het eerst geïntroduceerd – en dat pas in de negentiende eeuw pogingen zijn ondernomen om de specifieke Amerikaans-Engelse woordenschat te beschrijven. Soms is ook gekeken naar de ouderdom van het Nederlandse woord om te bepalen wanneer een Nederlands leenwoord is overgenomen door het Amerikaans-Engels. Zo betekent het feit dat in het Nederlands bok ‘zaagbok’ pas vanaf de negentiende eeuw bekend is, dat het Amerikaans-Engelse buck met diezelfde betekenis ook pas vanaf dat moment kan dateren.
Na de korte samenvattende informatie volgt – opnieuw op een nieuwe regel – een uitgebreidere beschrijving van de lotgevallen van het Nederlandse woord in het Amerikaans-Engels, waarin citaten worden gegeven ter toelichting van het gebruik van het woord. Daarbij wordt altijd in ieder geval het oudst bekende citaat met het woord opgenomen, daarnaast citaten die gebruik of betekenis van het woord nader toelichten, en dikwijls ook een modern citaat waaruit blijkt dat het woord nog steeds in de levende taal voorkomt. De citaten, die uiteraard niet zijn vertaald, zijn voor het grootste gedeelte geselecteerd uit Craigie en/of DARE – belangstellenden kunnen in deze werken de complete citatenverzameling met het woord opzoeken. Hier kan men ook de exacte literatuuropgave van de citaten vinden, die in het onderhavige werk vanwege de leesbaarheid niet nader zijn vermeld. In het glossarium staan bijvoorbeeld onder boodle de citaten:
1833 I know a feller ‘twould whip the whool boodle of ’em an’ give ’em six.
1884 At eleven o’clock the ‘whole boodle of them,’ as Uncle Nahum called the caravan, … had to boot and spur for church.
In het origineel (Craigie) staat dit als:
1833 J. NEAL Down-Easters I. 61, I know a feller ‘twould whip the whool boodle of ’em an’ give ’em six.
1884 HALE Xmas in Narragansett 272 At eleven o’clock the ‘whole boodle of them,’ as Uncle Nahum called the caravan, … had to boot and spur for church.
Bij citaten uit de belangrijkste negentiende-eeuwse woordenboeken van amerikanismen is in principe telkens de bron (Bartlett, Schele de Vere, Farmer, Clapin) toegevoegd – die zijn altijd in het origineel geraadpleegd; Craigie of DARE hebben niet altijd consequent citaten uit deze woordenboeken opgenomen, terwijl ze voor ons doel vaak interessante informatie bevatten over het gebruik van het Nederlandse leenwoord. Wanneer een citaat afkomstig is van informanten die voor DARE een vragenlijst hebben beantwoord, is DARE tussen haakjes achter het citaat als bron genoemd. Soms is tevens een kaart overgenomen uit DARE met de regionale verbreiding van een bepaald woord in de VS (de DARE-kaarten lijken vervormd doordat ze bevolkingsdichtheid weergeven in plaats van landoppervlakte). Achter citaten uit A Word Geography of the Eastern United States van Kurath uit 1949 is telkens Kurath als bron vermeld. Tot slot is als bron voor het moderne taalgebruik het Urban Dictionary op internet gebruikt, ‘the slang dictionary you wrote’ (urbandictionary.com). Hierbij is wel telkens kritisch gekeken of de informatie serieus was en afkomstig van meerdere informanten.
Het blijkt dat de Nederlandse leenwoorden in het Amerikaans-Engels dertien specifieke terreinen betreffen, dus te herleiden zijn tot dertien betekenisvelden; slechts vijf leenwoorden kunnen niet onder een van deze noemers worden ondergebracht en zijn dan ook als laatste behandeld onder de noemer ‘Varia’. Er zijn uiteraard altijd woorden die onder meerdere categorieën opgenomen kunnen worden; die zijn ondergebracht bij de categorie waar zij het beste thuishoren. De betekenisvelden zijn gegeven in aflopende volgorde: van de categorie waaronder het grootste aantal leenwoorden valt tot die met het kleinste aantal. Er bestaan veel overeenkomsten met de Nederlandse leenwoorden in indianentalen (zie hoofdstuk 3). Ook daar staan voedingsmiddelen, huisraad en dieren op de eerste drie plaatsen. Er is een verschil: bij het Amerikaans-Engels staat de planten- en dierenwereld op de tweede en niet op de derde plaats, maar wellicht iets belangrijker is dat de dierennamen die de indianen hebben overgenomen, altijd Europese soorten betreffen die door de Nederlanders naar de Amerikaanse oostkust zijn meegenomen, terwijl de meeste woorden die het Amerikaans-Engels op dit terrein heeft overgenomen, namen zijn voor Amerikaanse soorten. In de indianentalen staan op de vierde en vijfde plaats de namen voor geld en maateenheden, en voor kleding – deze categorieën komen ook voor in het Amerikaans-Engels maar staan op een wat lagere plaats. Wat ontbreekt bij de leenwoorden die de indianentalen hebben overgenomen is de categorie staatsinrichting en staatsburgers, die voor het Amerikaans-Engels inhoudelijk beslist de belangrijkste is geweest: qua aantallen staat deze op de vierde plaats in het Amerikaans-Engels.
Per betekenisveld zijn de leenwoorden alfabetisch opgenomen. Ieder betekenisveld begint met een globaal overzicht van de woorden die ertoe behoren (die woorden staan vet), waarbij noodzakelijkerwijs afgezien wordt van details – die staan vermeld bij de langere woordgeschiedenis. In de inleidingen en bij enkele ingangen worden soms woorden genoemd die geen uitgebreide behandeling in de alfabetische lijst hebben gekregen, omdat zij te weinig verbreid zijn (deze woorden zijn vet cursief gezet en ze zijn opgenomen in de index).
Alle leenwoorden in dit hoofdstuk zijn afkomstig van Nederlandse immigranten in de VS en te danken aan rechtstreekse contacten tussen Nederlands- en Engelssprekenden in Noord-Amerika. Als laatste categorie zullen, onder 2.15, enkele recente leenwoorden ter sprake komen die in de tweede helft van de twintigste eeuw vanuit de Lage Landen verbreid zijn naar andere talen, waaronder het Amerikaans-Engels. Hiervan zullen slechts enkele voorbeelden gegeven worden omdat het niet gaat om het resultaat van de bijzondere contacten tussen Nederlanders en Amerikanen, maar om toevallige Nederlandse uitvindingen die de wereld hebben veroverd. In 2.16 ten slotte wordt een korte samenvatting gegeven van de aard en omvang van de Nederlandse invloed op het Amerikaans-Engels en komen enkele bijzondere klankveranderingen ter sprake die kenmerkend zijn voor de leenwoorden.