2.1 Voeding, drank en genotmiddelen
De grootste bijdrage die het Nederlands aan het Amerikaans-Engels heeft geleverd, blijkt te liggen op het gebied van voedingsmiddelen – op dat terrein zijn maar liefst achtentwintig leenwoorden overgenomen. Dat zal menigeen verbazen, want Nederlanders staan nauwelijks bekend om hun culinaire hoogstandjes.
Het zijn vooral de namen van gebak en zoetigheden die de Yankees hebben overgenomen: in de zeventiende of achttiende eeuw cookie, cruller, olykoek, pannicake, waffle, die alle nog steeds een redelijke tot grote bekendheid in de VS hebben, en in de negentiende of twintigste eeuw banket, letter, oliebollen, die slechts in beperkte kring bekend zijn. Gezien al deze zoetigheden wekt het geen verbazing dat ook het werkwoord snoepen als to snoop is overgenomen, al heeft dat in het Amerikaans-Engels een geheel eigen betekenis gekregen.
Er is een aantal namen voor vleeswaren of vleesgerechten geleend: apples and speck, rolliche en speck in de zeventiende of achttiende eeuw, en balkenbry, headcheese en metworst in de negentiende of twintigste eeuw. Als namen voor gerechten zijn in de negentiende of twintigste eeuw overgenomen bry, erwten soup, hutspot en in de zeventiende of achttiende eeuw noodles.
Behalve apples and speck, speck en noodles zijn de Nederlandse namen vrij beperkt in gebruik, en juist deze drie namen hebben hun verbreiding niet aan de Nederlanders, maar vooral aan de Duitsers te danken. Iets algemener bekend zijn de namen voor twee kaassoorten die de Nederlanders hebben geïntroduceerd (wat heel weinig is, want Nederland geldt immers als een kaasland bij uitstek): in de zeventiende of achttiende eeuw pot cheese en in de negentiende eeuw smear-case. Verreweg het bekendste woord is coleslaw, dat tegenwoordig geldt als typisch Amerikaans product en onder de Amerikaans-Engelse naam geëxporteerd wordt naar andere landen; het woord is in de zeventiende of achttiende eeuw geleend. Tot slot is één naam voor een inheems gerecht, namelijk sup(p)awn ‘maismeelpap’, door de Nederlanders overgenomen van de indianen en vervolgens doorgegeven aan de Yankees.

Illustratie 2.1 – Webster’s Dictionary (bron: The Printing Art, deel 5, nr. 2, april 1905)
Diverse namen betreffen voedingsmiddelen die door boeren van eigen producten worden vervaardigd, bijvoorbeeld apples and speck, balkenbry, coleslaw, erwten soup, headcheese, hutspot, metworst, pot cheese, rolliche en smear-case. Het Amerikaans-Engels heeft drie Nederlandse dranknamen geleend: brandy in de zeventiende eeuw (momenteel algemeen verbreid), en advocaat en boerenjongens in de negentiende of de twintigste eeuw – deze namen zijn niet erg verbreid.
In de zeventiende of de achttiende eeuw werd dope overgenomen in de betekenis ‘saus, jus’. Inmiddels heeft het woord in de VS een forse betekenisontwikkeling doorgemaakt. Een ander Nederlands woord waarmee oorspronkelijk een (pikante, zoute) saus werd aangeduid, is pickle. Dit gaat terug op het Nederlandse pekel en komt al sinds de vijftiende eeuw in het Brits-Engels voor. De saus werd eerst gebruikt om smaak te geven aan vlees en later ook om groente en fruit langer houdbaar te maken. Daarna ging pickle ook groente aanduiden die in azijn of pekel was ingelegd. De volgende stap is ‘vooral’, aldus de Oxford English Dictionary (OED), gezet in de VS: hier ging men met pickles ingemaakte, zure komkommers of augurken aanduiden; in 1715 is te lezen: ‘At the Store-House … are to be Sold … Cases of Pickle on reasonable terms.’ In die betekenis is het woord dankzij de internationale handel teruggekomen in de Lage Landen. Hoewel dit van oorsprong Nederlandse woord dus in de VS een eigen ontwikkeling heeft doorgemaakt, is het niet via het Nederlands maar via het Brits-Engels op het Amerikaanse continent terechtgekomen.
Op het terrein van het roken is de Nederlandse invloed klein geweest, ondanks het imago van Nederlanders als pijprokers. Naar de Nederlandse gouverneur Peter Stuyvesant is in de twintigste eeuw een sigarettenmerk vernoemd, en de Nederlanders hebben het woord cuspidor (zie 2.3) gebracht. Hieraan kan nog toegevoegd worden dat het Mahican het Nederlandse woord snuif ‘fijngemalen, prikkelende tabak om op te snuiven’ heeft overgenomen.
Enkele Nederlandse woorden hebben een zo kleine verbreiding gehad, dat het niet de moeite waard was ze in onderstaande alfabetische lijst op te nemen. DARE vermeldt het Amerikaans-Engelse kliekies, ook klikkes, dat ontleend is aan het Nederlandse kliekjes. Dit is slechts door twee informanten vermeld, eenmaal in 1969 en eenmaal in 1993. Ook komt eenmaal, in 1940, pot eten voor, vermeld als ‘een gerecht van aardappelen, groenten en soms vlees die samen zijn gekookt’, van het Nederlandse poteten ‘gekookte spijs’. In gebieden waar Nederlanders zijn gevestigd kent men voorts, zo blijkt uit DARE, nog snert (synoniem van erwten soup) en vetbollen (synoniem van oliebollen). Kurath (1949: 24, 71) voegt nog thick-milk voor ‘karnemelk’ toe, dat in 1949 nog gebruikt werd in gebieden waar Nederlanders waren gevestigd en daar ontleend was aan het Nederlandse dikke melk. Kurath merkt hierbij op dat het woord waarschijnlijk altijd alleen binnen Nederlandse families is gebruikt en snel aan het verdwijnen is. Thick-milk wordt ook gebruikt in gebieden waar Duitsers zijn gevestigd, en is daar gebaseerd op Pennsylvanian Dutch Dickemilch.
Net iets meer dan de helft van de Nederlandse ontleningen op het gebied van etenswaren dateert uit de zeventiende of achttiende eeuw, de rest stamt uit de negentiende of twintigste eeuw. De woorden uit de eerste periode zijn meestal nog vrij bekend – vaak worden ze zelfs momenteel door de gehele VS gebruikt. De latere ontleningen zijn meestal slechts op een klein gebied bekend. Van de achtentwintig Nederlandse leenwoorden op het terrein van de voedingsmiddelen worden er in ieder geval tien dagelijks door heel Amerika gebruikt: apples and speck, brandy,
coleslaw, cookie, cruller, dope, speck, noodles, to snoop en waffle. Dat is dus meer dan een derde. Tot slot is het nog aardig te vermelden dat dankzij het Nederlands twee gerechten die afkomstig zijn uit Indonesië, in de twintigste eeuw internationaal bekend zijn geworden en ook in het Amerikaans-Engels zijn beland: het kruidenmengsel sambal oelek en het gerecht rijsttafel. De woorden zijn waarschijnlijk meegenomen door (Indische) Nederlanders die na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 wegtrokken uit dit land en Amerika als nieuwe woonplaats verkozen boven Nederland. Dat sambal oelek waarschijnlijk verbreid is via het Nederlands, blijkt uit de spelling van het woord: in het moderne Indonesisch schrijft men ulek, in het Nederlands echter oelek. Rijsttafel heeft een interessante geschiedenis. Onder de Nederlanders in Indonesië bestond de gewoonte om tussen de middag een maaltijd te nuttigen die bestond uit rijst als hoofdgerecht en vele bijgerechten; de rest van de bevolking at drie keer per dag een eenvoudige rijstmaaltijd met weinig of geen bijgerechten. De Nederlanders gaven deze hoofdmaaltijd de naam rijsttafel. Die benaming is vervolgens overgenomen in het Indonesisch, en ook in het Amerikaans-Engels. In 2004 bevatte The Scripps National Spelling Bee voor kinderen onder de zestien jaar dit woord (‘Yes, it’s a real word, not a Scrabble accident,’ aldus The Charlotte Observer). De spelling hiervan bracht de deelnemers in grote verlegenheid, of zoals een andere krant opmerkte: ‘”Rijsttafel” might be a delicious Indonesian dinner, but on Tuesday it upset the stomachs of the 275 youngsters attempting to spell it correctly.’