1.0 ‘The last real speaker of the dialect’
In ieder goed verhaal komt ten minste één boef voor. Gelukkig voor het verhaal, maar jammer voor de wetenschap, kent ook de geschiedenis van het Nederlands aan de Amerikaanse oostkust zo’n boef. Sterker nog: de geschiedenis eindigt met hem. Zijn naam is Lawrence Gwyn van Loon.
Van Loon werd geboren in 1903 in New York City en overleed in 1985 in het plaatsje Gloversville, New York. In zijn jeugd leerde hij van Walter Hill, zijn grootvader van moederskant, de tawl – het Nederlands dat toen nog werd gesproken in de vallei van de Mohawk, een rivier in de staat New York. Samen met zijn vader en grootvader ging hij in vakanties op bezoek bij enkele ouderen die de tawl nog enigszins beheersten. Dit was het begin van Van Loons levenslange relatie met de Nederlandse taal. Maar al tijdens zijn middelbare schooltijd (zo schrijft hij in 1980) ‘things got … a bit blurry … but at least skeletons remained’. Tijdens zijn studie geneeskunde bracht hij de zomers van 1930 en 1932 door in Nederland, in de kliniek van het Amsterdamse Wilhelminagasthuis ‘where I quickly found that what I knew from Gramp and all the others was an oddity (to say the least)’. Hier leerde hij ook zijn Nederlandse vrouw kennen, Grietje Prins, met wie hij in 1932 in het huwelijk trad. Hij vestigde zich als huisarts in Reading, Pennsylvania. Met vrouw en kinderen werd thuis Nederlands gesproken.
De belangstelling voor het Nederlands aan de Amerikaanse oostkust die tijdens zijn jeugd was gewekt, liet Van Loon zijn leven lang niet los. Hij wijdde er verschillende publicaties aan. Het begon in 1938 met het boek Crumbs from an Old Dutch Closet. The Dutch Dialect of Old New York, dat bij de prestigieuze Haagse uitgeverij Martinus Nijhoff verscheen. Van Loon beschrijft het Mohawk Dutch, het Nederlands zoals hij dat in zijn jeugd had horen spreken in de Mohawkvallei. Opvallend – maar dat is wijsheid achteraf – is dat in het boek geen enkele verantwoording wordt gegeven over hoe het materiaal is verzameld en welke informanten eraan hebben meegewerkt; wel worden halverwege het werk enkele citaten opgevoerd van een zekere “Mr. and Mrs. Dewitt Link”. In 1939 verschenen van Van Loons hand twee artikelen in gezaghebbende Nederlandse tijdschriften, uitgegeven onder auspiciën van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, namelijk Onze Taaltuin en Eigen Volk; het eerste artikel handelde over het Jersey Dutch, een restant van het Nederlands in New Jersey, het tweede over Nederlandse cultuursporen aan de Amerikaanse oostkust.
Van Loons boek uit 1938 werd nog in 2000 door een Amerikaanse taalkundige gekarakteriseerd als ‘one of the most cited sources on the structure of the Dutch dialect of upstate New York and its late survival’. Dat ligt voor de hand: het was de eerste en enige beschrijving van het Mohawk Dutch. In 1975 afficheerde Van Loon zich in een brief aan de Nederlands-Amerikaanse neerlandicus W. Lagerwey als ‘wellicht de laatste spreker van dit Nederlands dat hij in zijn jeugd had gehoord en geleerd’. Ongetwijfeld op influisteren van Van Loon nam de historicus Van Cleaf Bachman dit in 1980 over toen hij Van Loon ‘the last real speaker of the dialect’ noemde.
In dat jaar 1980 publiceerde Van Loon een verhaal in het Mohawk Dutch, ‘Het Poelmeisie’, dat hij zich herinnerde uit zijn jeugd. Het verhaal over een jongen die door een prachtige vrouw wordt verleid in een waterpoel te stappen en daarbij verdrinkt, was hem omstreeks 1915 verteld door ‘Mrs. Dewitt Lynck of Glenville Village, New York’. De historica die het verhaal inleidt, Alice Kenney, schrijft dat het verhaal van groot belang is, omdat ‘the possible contributions of Hudson Valley Dutch folklore to American literature have gone unrecognized because so little was known about them’.
De juichende stemming over de beschrijving van het laatste gesproken Nederlands aan de Amerikaanse oostkust sloeg in de loop van de jaren tachtig van de twintigste eeuw om in diep wantrouwen. Toen kwam namelijk vast te staan dat ander werk van Van Loon, dat eveneens betrekking had op overblijfselen van Nederlanders aan de oostkust, gebaseerd was op vervalste stukken – hieronder komen we daar nog op terug. Met terugwerkende kracht werden ál het werk van Van Loon en alle documenten waarmee hij bemoeienis had gehad, verdacht.
Uit onderzoek van onder anderen Charles T. Gehring (dat hieronder nader ter sprake komt) is gebleken dat Mrs. Dewitt Link of Lynck, die zowel in de Crumbs als in ‘Het Poelmeisie’ als bron wordt opgevoerd, van Schotse en niet van Nederlandse afkomst was: haar meisjesnaam luidde Mary Jane Lowe.

Illustratie 1.1 – Naar de kaart van Nieuw-Nederland door Nic. Joh. Visscher, in 1655 uitgegeven door Justus Danckerts (bron: Daan 1987: 66)
Volgens vroegere buren kende ze geen woord Nederlands. Het verhaal ‘Het Poelmeisie’ kan volgens de Nederlandse taalkundige Jaap van Marle bovendien onmogelijk ruim driehonderd jaar mondeling zijn overgeleverd, omdat stijl en taalgebruik veel te literair en gekunsteld zijn. Volgens hem wortelt het verhaal in de ‘romantische’ negentiende-eeuwse traditie van sprookjes zoals die zijn verzameld door de gebroeders Grimm.
Wat feit en fictie is in Van Loons boek uit 1938 en in zijn artikelen uit 1939 en 1980, valt voorlopig niet uit te maken – we komen er verderop op terug. Het feit dat al deze werken zijn geschreven op een moment dat van het Nederlands dat Van Loon in zijn jeugd had gehoord, slechts ‘skeletons remained’, terwijl hij inmiddels via zijn huwelijk jarenlang eigentijds twintigste-eeuws Nederlands had gehoord, doet het ergste vrezen.
Buiten kijf staat wel dat er nog in het begin van de twintigste eeuw mensen woonden aan de Amerikaanse oostkust die het Nederlands spraken dat door Nederlandse kolonisten in de zeventiende eeuw was meegenomen en sindsdien van generatie op generatie was doorgegeven. Daarvan getuigen ook anderen, die deze taal echter helaas meestal niet hebben genoteerd. Maar laten we beginnen bij het begin: de aankomst van het Nederlands in Amerika.