2.8 In en om het huis

Er zijn acht woorden geleend waarmee een gebouw, bouwsel of een onderdeel van een huis wordt aangeduid. Met block en bowery wordt een gebouwencomplex of stadsdeel aangeduid, met best room, caboose en clothes room doelt men op speciale ruimtes binnenshuis (waarbij caboose echter een forse betekenisverandering heeft doorgemaakt), crawl en hay barrack zijn aparte bouwsels, en stoop tot slot is een aanbouw aan een huis. Alle woorden zijn in de zeventiende of achttiende eeuw geleend, en ze worden allemaal nog gebruikt, al zijn ze niet allemaal even verbreid. Verreweg het bekendst is stoop.

Een woord dat alleen is vermeld in Bartlett 1848 en Farmer 1889, is portaal. Bartlett omschrijft het als ‘ingangspoort, hal’, en merkt op dat het gebruikt wordt door mensen van Nederlandse afkomst in New Jersey en New York voor een smalle doorgang of ingang van een huis, en dat het wordt uitgesproken als pit-till. De hoofdingang noemen ze volgens hem met een ander Nederlands woord de gang. Hieruit blijkt dat gang dus ook ooit geleend is.

In DARE worden nog twee andere leenwoorden op dit terrein genoemd, die slechts zeer beperkt bekend zijn, namelijk klop door en louk, van het Nederlandse klapdeur respectievelijk luik. Deze woorden zijn door enkele informanten van Nederlandse afkomst genoemd in 1967-1968. Verbreid buiten de kleine Nederlandse gemeenschap zijn deze woorden beslist niet.