2.2 De planten- en dierenwereld
‘Dit is het Eden’, dit is het paradijs, zegt Jacob Steendam in 1661 in zijn gedicht ’t Lof van Nuw-Nederland. Net als Adam in het paradijs werden de Nederlanders in Amerika geconfronteerd met een natuurlijke omgeving waarvoor ze geen woorden hadden. Het was logisch dat ze allereerst probeerden de dieren en bomen aan te duiden met woorden uit hun moedertaal. Soms verzonnen ze ook nieuwe woorden en samenstellingen, die in het Nederlands nog niet bestonden. Sommige van deze oude en nieuwe namen zijn later beland in het Amerikaans-Engels. Sterker nog: zij vormen de op een na grootste bijdrage die het Nederlands aan het Amerikaans-Engels heeft geleverd: er zijn twintig planten- en dierennamen geleend. De meeste namen betreffen inheemse soorten in Amerika.
Overgenomen plantennamen zijn abele tree, Easter flower (ook pass blummies, poss flower), fetticus, pinkster flower, pit en sap bush. Ze zijn allemaal in de zeventiende of achttiende eeuw overgenomen, waarschijnlijk met uitzondering van abele tree. De Nederlandse namen zijn telkens overgedragen op Amerikaanse plantensoorten die identiek zijn aan of lijken op Europese soorten; alleen de samenstelling sapbosch, waar sap bush op teruggaat, is in het zeventiende-eeuwse Amerikaans-Nederlands gemaakt.
Diverse samengestelde of afgeleide dierennamen zijn gevormd in het Nederlands van Noord-Amerika en onbekend gebleven in het Europese Nederlands. Dat geldt bijvoorbeeld voor de vissennamen killifish en weakfish. De vissennamen corporal, mossbunker, sea bass en spearing zijn daarentegen overgedragen van Europese soorten naar Amerikaanse; al deze namen, behalve waarschijnlijk corporal, zijn in de zeventiende of achttiende eeuw door het Amerikaans-Engels overgenomen. Ook de namen blauser voor een bepaalde slang en groundhog voor een bepaalde marmot zijn in Amerika in het Nederlands gemunt; daarentegen is de naam skillpot overgedragen op de Amerikaanse schildpad, en punkie is door de Nederlandse kolonisten ontleend aan het Munsee Delaware.
Tot slot heeft het Amerikaans-Engels ook enkele namen geleend uit het Nederlands voor dieren die afkomstig waren uit Europa. Regionaal is in de zeventiende of achttiende eeuw kip geleend en in de negentiende of twintigste eeuw de loknaam kish. Het woord kip is ook overgenomen door indianentalen; daar staan de Nederlandse namen voor in Europa inheemse dieren zelfs op de derde plaats in aantallen leenwoorden. Algemeen verbreid zijn in het Amerikaans-Engels span, geleend in de zeventiende of achttiende eeuw, en Antwerp, geleend in de negentiende of twintigste eeuw.