2.7 Kerk en kerkelijke feestdagen

De meeste Nederlanders die naar de VS trokken, waren lid van de Gereformeerde Kerk (pas in de negentiende eeuw werd de Nederlandse Hervormde Kerk opgericht). De Gereformeerde Kerk had in de zeventiende eeuw een bevoorrechte positie in de Republiek der Nederlanden: er heerste weliswaar grote godsdienstvrijheid en in principe werd niemand vanwege zijn godsdienst vervolgd, maar ambtenaren en bestuurders dienden lid te zijn van de Gereformeerde Kerk. In andere Europese landen gold minder godsdienstvrijheid. Gezien de centrale positie van de dominee in de protestantse kerken, wekt het geen verbazing dat domine is overgenomen in het Amerikaans-Engels, maar dit wordt slechts regionaal gebruikt en uitsluitend voor een predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk.

In Noord-Amerika bestond in de zeventiende eeuw geen centraal gezag en bovendien was er land in overvloed. Daarom trokken leden van allerlei protestantse groeperingen hierheen: de gelovigen konden er veilig vestigingen oprichten, waar zij samen met geloofsgenoten een nieuw bestaan konden opbouwen. Ook uit de Lage Landen trokken leden van verschillende protestantse bewegingen naar de VS. De meeste benamingen voor de leden van dergelijke groeperingen zijn internationaal, maar drie namen zijn via het Nederlands terechtgekomen in het Amerikaans-Engels, namelijk dumpler, labadist en mennist. Ze zijn in de zeventiende of achttiende eeuw geleend, en alleen mennist is nog in gebruik.

Er zijn vier Nederlandse namen voor feestdagen geleend: in de zeventiende of achttiende eeuw paas en pinkster, en in de negentiende eeuw kermis(s) en second Christmas (Day). Erg bekend zijn ze geen van alle. Op het gebied van de religie heeft het Nederlands dus geen blijvende invloed op het Amerikaans-Engels uitgeoefend.