Grote schoonmaak
De eerste zes, zeven weken na mijn verhuizing keken bezoekers nog met een glimlach van herkenning naar de onuitgepakte dozen en het lukraak gerangschikte huisraad. Bovendien was het hier sowieso nogal donker omdat ook de aanschaf van lampjes wat op zich liet wachten, en de gloed van de open haard verleende de barre puinhoop zelfs een vernisje van romantische allure. La vie bohème, en wij hebben wel wat zinvollers te doen dan gordijnen zomen. Dus drink leeg die fles, dan zet ik er gezellig een kaars in. En kun jij dan morgen even de gemeente bellen over het grof afval en wat we aan die muizen kunnen doen? Of anders overmorgen. Pas op, val niet over de fruitschaal.
Maar nu woon ik hier alweer bijna een half jaar, en het begint gênant te worden. Het is nog lang geen lente, maar voor de haard is het niet winters genoeg meer. Het geelgrauwe daglicht klettert reeds bij het opstaan meedogenloos door de met kinderspuug bezoedelde ruiten. De leuke nieuwe buren, die aanvankelijk knusjes een sinaasappelkistje bijschoven en welwillend wijn dronken uit Nutellaglazen met een Spongebob-sticker erop, beginnen mij fluisterend na te wijzen. In mij galmen vage echo’s van een verzonken beschaving: ‘grote schoonmaak...’
Ik ben zelf niet zo doortastend, en daarom sleep ik al twintig jaar en twaalf verhuizingen de meest uiteenlopende nutteloze voorwerpen mee. Stapels tupperwarebakjes waar de deksel van kwijt is. Tot op de draad versleten handdoeken. Een al sinds mensenheugenis zieltogende palm. De niet geheel complete jaargangen ’86 en ’87 van Allerhande. Twaalf kartonnen dozen die al tien jaar dichtgeplakt meeverhuizen. houd mij schoon en droog aub smeken ze in grote blauwe letters. De inhoud is onbekend maar kennelijk is de afgelopen tien jaar niemand de nieuwsgierigheid te machtig geworden.
Dan ben ik ook nog getrouwd met iemand die teder gehecht is aan zijn eerste ski’s (geperst karton), zijn eerste tent (gietijzer) en zijn dertig jaar oude, onbespeelbare, metallic-groene elektrische gitaar waar in loslatende plakletters ‘suspense’ op staat, vergezeld van een versterker met de omvang van een driezitsbank. Het is een soort diepgewortelde, existentiële bezitsdrang waar vooral mannen last van hebben. Hoewel, de kinderen zijn nog erger. Zodra ik, in een poging orde te scheppen in hun walgelijk grote verwende-kindertjesspeelgoedberg, ook maar het kleinste, kapotste McDonald’s-prulletje in de vuilnisbak gooi is dat opeens hun ‘lievelingsspeelgoed’. En toen ik de nooit gebruikte, foeilelijke, felgele hobbelslak na jaren ergernis bij het vuilnis zette, duwden ze hem verontwaardigd weer naar binnen, als had ik een dierbaar familielid verstoten.
‘Je moet het doen als ze niet thuis zijn’, zegt mijn moeder conspiratief. Daar komt ze al aangereden, haar valies vol zakken van Max, vastbesloten mij van driekwart van mijn inboedel te ontdoen. Kordaat rukt ze dozen open, veegt de inhoud van puilende kasten met brede armzwaaien naar buiten, en begint zakken vol te proppen. Daar gaan ze, de verwassen t-shirts, schoolboeken, gescheurde posters, halve serviezen, een oranje platenspeler, schoenen, schoenen, schoenen en een bekommerd kijkende pluchen giraf.
Ik zou nu opgelucht moeten zijn, maar het lukt niet. Dat hemdje had ik aan bij de bevalling van mijn eerste kind, en die pick-up heeft mijn ontmaagding nog muzikaal begeleid. Terug in de kast ermee. En trouwens, de kans dat ik van die drie kapotte ladyshaves één hele ga maken is weliswaar klein, maar niet denkbeeldig. Twaalf jasjes maat 38 met matrassen van schoudervullingen? Nou ja, met de mode weet je het nooit. En wie weet pas ik er ooit weer in: als ik de roeimachine eindelijk eens ga gebruiken die al jaren opgeklapt onder het bed ligt te wachten als een enorme, peperdure muizenval.
Alleen de palm, door mijn moeder officieel dood verklaard, komt aan de stoeprand terecht. Hij ziet er eenzaam uit, en stiekem hoop ik dat de kinderen hem straks naar binnen slepen.