Jungle
Het was 1980, ik was veertien en het leven was niet eenvoudig. In de puberteit, zo lees je altijd, krijgt een kind behoefte om zichzelf als individu te profileren. Voor mij ging dat niet op: het enige wat ik nastreefde was zo veel mogelijk lijken op door mij bewonderde leeftijdsgenootjes, in de veelal ijdele hoop dat ze mij dan óók aardig zouden vinden. Het dragen van de juiste kleding was daarbij een kwestie van leven of dood. Intussen werd ik wegens wanprestatie voortdurend van allerlei scholen verwijderd, en moest dan elders weer helemaal opnieuw beginnen. Erg lastig, want op elke school golden weer andere kledingcodes, stuk voor stuk nog veel ingewikkelder dan de scheikundeformules die mij telkens weer de das om deden.
De zeer wijde spijkerbroek met nauw toelopende pijpen was overal gangbare dracht, maar op de ene school was je daarin een ‘ska’, op de andere een ‘disco’ en weer elders een ‘dom wijf dat zich door de commercie kleding in de maag liet splitsen in plaats van zich om werkelijk belangrijke zaken te bekommeren, zoals kernenergie’.
Het was, kortom, een heel gepuzzel. Vooral ook omdat er destijds geen h&m bestond. Kleding was duur en moest lang meegaan, dus wie in de eerste de beste modegril trapte moest daar geruime tijd voor boeten. Broeken met een witte bies aan de naad, bijvoorbeeld, waren plotseling helemaal in, maar toen ik er na maanden zeuren eindelijk een kreeg was de hype (dat woord bestond trouwens nog helemaal niet) voorbij. Sterker nog: je liep voor gek met die idiote witte bies. Maar voor dat soort argumenten waren ouders toen nog niet vatbaar: een nieuwe broek kreeg je alleen als de oude echt tot op de draad versleten was en al herhaaldelijk met kunstlederen opzetstukken in de vorm van appeltjes of hartjes was opgelapt. Nog een half jaar bewerkte ik dus na elke wasbeurt die gehate bies met donkerblauwe viltstift, maar je bleef hem zien.
Wijs geworden zorgde ik er met huilbuien, smeekbeden en dreigementen voor dat ik de eerstvolgende musthave wél meteen kreeg: een dikke, pastelkleurige bodywarmer. Je werd geacht hem binnenshuis te dragen. Hoogzomer was het en de school zat saamhorig te zweten in die zachtgele, babyroze en hemelsblauwe korsetten. Pas toen er op een bijzonder hete dag twee meisjes flauwvielen werden de jacks in het klaslokaal verboden. De eerste All Stars-golf daarentegen viel in de koudste winter van de twintigste eeuw, en om onduidelijke redenen was het uit modebewust oogpunt van groot belang de dunne gympjes zonder sokken te dragen.
In deze keiharde puberjungle leek de komst van punk een verademing. Je had nauwelijks kleren nodig en, prettige bijkomstigheid, je hoefde ze ook niet meer te wassen. Helaas kreeg je het bijgaande maatschappijkritische piekhaar niet vanzelf. Gel bestond nog niet, laat staan mousse, fudge, wax of foam. Met heel veel zeep kreeg je alles wel overeind, maar het lastige was dat bij vochtig weer (en dat was het bijna altijd) de hele boel slap langs je kop ging hangen, en dan konden passanten weleens denken dat je je haar gewassen had of zo iets burgerlijks.
Bij hevige regen ging zo’n hanenkam zelfs vernederend schuimen, wat bovendien een hinderlijke aanslag op je fluorescerend roze plexiglas oorbellen gaf. De veiligheidsspeld door mijn wang moest ik trouwens algauw verwijderen, omdat ik allergisch bleek voor niet-edele metalen. Ik had de pijnlijke zweer graag verdragen, want zonder zo’n speld werd je door schampere soortgenoten neergesabeld als zijnde een slappe ‘weekendpunk’, maar mijn moeder greep in en maakte met nijptang en sterilon een eind aan mijn maatschappelijk leven.
Dit alles is gelukkig heel lang geleden. Ik ben in de veertig, en kleed me voornamelijk onopvallend. Maar voor mijn achtjarig dochtertje koop ik graag iets bijzonders, want haar staat alles even prachtig. Stralend stapt ze naast mij voort. En ik hoop tegen beter weten in dat zij ervoor gespaard zal blijven: de diepe, radeloze angst om voor gek te lopen.