Sterfhuis
Als kind al koesterde ik ontzag en tegelijk diep onbegrip voor mensen met een baan. De gedachte dat je ’s morgens vroeg je veilige huis moest verlaten om tussen stellig kwaadaardige vreemden iets te doen wat je liever zou nalaten, maakte mij misselijk van afkeer. Op de middelbare school werd deze beklemming verder aangescherpt. Met aansporingen als ‘doorzetten’ of ‘kom, de schouders eronder’ probeerden goedwillende leraren mij op andere gedachten te brengen, met als enig resultaat dat ik het betreffende lesuur voortaan elders doorbracht, vergezeld van een mooi boek en een gezinspak roze koeken. Zo werd ik telkens van school gestuurd, om het ergens anders met nog wurgender tegenzin opnieuw te proberen.
Als je niks om geld geeft kun je zo’n levenswandel lang volhouden. Ik kende ze wel, die zonderlingen met klonterig haar en acht honden die tot volledige tevredenheid in een vochtig kraakpand woonden, levend van bruine bonen en één pakje zware sjek per week, in een permanente staat van milde dronkenschap met behulp van het lekbakje uit een belendend café.
Helaas ging mijn weerzin tegen werk gepaard met een hang naar luxe, een ongelukkige combinatie waarvoor maar één oplossing is: trouwen met een miljonair. Omdat ik daar te lelijk voor was, ging ik in arren moede maar rechten studeren. Het gerucht ging dat je daar bijna niets voor hoefde te doen, en bovendien kreeg je een beurs: 600 gulden per maand.
Als je uitsluitend macaroni met Maggi at en de weekends naar je ouders in de provincie trok op een fiets met houten banden, dan kon je daarvan leven.
Het kon ook anders. Ik had diverse bankrekeningen, en met een ingewikkeld rouleersysteem onder vrienden zorgde je dat een van die rekeningen af en toe heel even niet rood stond, waarna je nieuwe betaalkaarten kreeg, een feestelijk moment dat met de aanschaf van dure schoenen en kratten drank extra luister kreeg. In financiële kringen heet zoiets geloof ik een sterfhuisconstructie.
Na een halfjaar kwamen de deurwaarders, en bovendien bleek dat je wel degelijk af en toe een tentamen moest halen, anders kreeg je die beurs ook niet meer. Op de puinhopen van het ingestorte kaartenhuis dronk ik port van een geleend geeltje, en schreef me gelaten in bij een uitzendbureau.
De volgende dag stond ik bij McDonald’s in de Amsterdamse Leidsestraat, mijn maatschappijkritische kapsel weggestopt onder een zweterig petje, en werd voor 4,22 gulden per uur uitgescholden door een boosaardige gnoom die het met verfijnd ellebogenwerk tot bedrijfsleider had geschopt. Na twee dagen brak ik het hendeltje van de milkshakemachine, en omdat ik niks durfde te zeggen spoot de koude, roze brij minutenlang ongehinderd over de gladde tegelvloer, waarop een collega, gescheiden moeder van vier kinderen, uitgleed en haar heup brak. Mijn ontslag was voor alle betrokkenen een verademing.
Maar de geldkwestie werd nijpend, ondanks een rantsoen van oud brood met suiker en de verkoop van boeken en leermiddelen. Zelfs mijn beste vrienden schoten, bevreesd voor gebedel, snel een zijstraat in als ze mij ontwaarden.
Met visioenen van een toekomst in het vreemdelingenlegioen of een Algerijns bordeel slofte ik de trappen op naar mijn beschimmelde huurkamertje. Op de overloop lag een brief, geadresseerd aan mijn hospita. De zijkant was een beetje open, en daaruit stak onmiskenbaar en opwindend de rand van een briefje van honderd. De volgende dag lagen er tien van zulke brieven, en de dag daarna twintig. Ik begreep wat er aan de hand was: de hospita deed mee aan de in die dagen zeer spraakmakende kettingbrief, waar je met de inleg van één honderdje en een beetje mazzel onmetelijk rijk kon worden. Wekenlang bleven de enveloppen binnenstromen. Ik heb er in totaal vijf gestolen, en daarmee mijn ergste schulden afgelost. Om mijn geweten te sussen nam ik me voor ooit, als ik zelf in goeden doen was, hetzelfde bedrag over te maken naar een liefdadig doel. Dat is er tot dusver overigens nog niet van gekomen.