Zwarte zwaluw
Begin jaren tachtig was het dragen van tatoeages voorbehouden aan Herman Brood en een handvol habitués in havenbordelen. Aids was nog niet uitgevonden, maar algemeen gold dat wie eenmaal een naald in zijn huid had toegelaten slechts één stap verwijderd was van de heroïneverslaving, met dramatische overdosis in een stations-wc tot besluit: brekende ogen onder een knipperende tl-buis, de spuit nog in de ader, het langzaam wegglijden langs bloedbesmeurde tegels op de aanzwellende klanken van Velvet Underground. Een bron van fascinatie, kortom, voor een mollige tiener uit Kennemerland. In downtown Overveen bestond het hoogtepunt van rock-’n-roll uit de jaarlijkse zeepkistenrace op Koninginnedag, waarbij de drugs werden vertegenwoordigd door twee flesjes Shandy en een van mijn moeder gestolen mentholsigaret. Het bezit van een echte tattoo zou mij in één klap uittillen boven deze weerzinwekkende bekrompenheid, en wie weet zou ik dan vanzelf net zo prachtig uitgemergeld bleek worden als Christiane F.
Met het door weer en wind rondbrengen van de Heemsteedsche Courant verdiende ik het benodigde geld bij elkaar en spoorde met bonkend hart naar Amsterdam, waar juist de jaarlijkse tattooconventie in Paradiso plaatsvond. Daar was het een komen en gaan van tandeloze Hells Angels vol vlammende doodshoofden, op een lendendoek na naakte, van hun kaalgeschoren hoofd tot hun slippers met bonte draken bedekte Aziaten, en zeer voormalige lekkere wijven met een grogstem en een boa constrictor tussen hun verlepte zonnebankborsten. Gááf.
Er waren ook een paar meisjes zoals ik, van wie de meesten na uren zenuwachtig ronddrentelen en schuwe blikken op de zoemende naalden toch nog ongerept uit de hel van inkt ontsnapten: een enkeling liet zich met tranen in de ogen een vlindertje, roosje of konijntje op het blanke schouderblad prikken, waarbij steevast een minder dappere vriendin met openhangende mond toekeek. Uit mijn ‘kernenergie, nee!’-tasje trok ik een doosje Säkerhets Tändstickor tevoorschijn en legde mijn zweterige hand op de dij van een stonede Fransoos. Op mijn onderarm moest het, waar Popeye zijn anker had.
Na een kwartier stond ik buiten, zwevend van trots op het sierlijke zwarte zwaluwtje. Het had minder pijn gedaan dan mijn ontmaagding en het resultaat was oneindig bevredigender. De wanhoop van mijn moeder was al zo heerlijk, en dan nog het ontzag van mijn vrienden, die eindelijk begrepen dat ik niet zomaar iemand was. Ach, de glorie duurde niet lang. Tandenknarsend moest ik toezien hoe in de loop der jaren de een na de ander zich een lieveheersbeestje, zonnetje of elfje liet aanmeten. Ook Chinese karakters waren populair: de draagster vertelde er zwijmelend bij wat de zwarte vogelpootafdruk moest beduiden, meestal ‘eindeloze liefde’, ‘gouden voorspoed’ of andere saaie begrippen. Uit wraakzucht maakte ik zo’n op hol geslagen tandartsdochter succesvol wijs dat haar tatoueur was uitgeschoten en zij helaas het teken voor ‘klaarkomend everzwijn’ op haar veel te bruine hockeykuit meedroeg.
Maar uiteindelijk moest ik mijn verlies onder ogen zien. De tattoo was gemeengoed geworden. Al gauw toonde heel Nederland een tribal bandje om de bovenarm, een likkebaardend duiveltje boven de string en conglomeraten van orchideeën op de dij. Of erger. Op het strand zag ik laatst nog een verzakte vijftiger die, zo bleek bij ongelovige nadere beschouwing, zijn harige navel kundig in een opengesperde kut had laten omtoveren. ‘Duindorp’ stond eronder, in zware gotische letters.
De laatste tijd zie je alweer pogingen tot verwijdering van een onbezonnen tatoeage, wat zich bijvoorbeeld manifesteert in een vleermuisvormige schroeiplek boven de bilspleet. Ook ik heb overwogen mijn nu zo ordinaire zwaluw weg te laten laseren. Maar mijn anderhalfjarig zoontje maakte aan die twijfel een eind. Hij kan nog niet praten, misschien omdat men bij een derde kind minder geneigd is tot gearticuleerde voordrachten uit prentenboekjes. Zijn wensen maakt hij kenbaar door middel van wijzen, krijsen of grijpen, en desnoods gaat hij op een stoel staan en rukt zelf de begeerde versnapering uit de kast. Gisteren hing hij in een nimbus van snot en kruimels op mijn schoot, en streelde soezerig mijn arm. Maar opeens verhelderde zijn blik, en terwijl hij zijn plakvinger in de inmiddels verbleekte zwaluw priemde, vroeg hij aarzelend: ‘Googgel?’ ‘Ja, vogel...’ zei ik. ‘Vogel!!!’ herhaalde hij, kwijlend van enthousiasme. Zo leidde mijn jeugdzonde via een jarenlange omweg toch nog tot een intellectuele dageraad.