Goed doel
Er is veel leed op de wereld. Dat is trouwens voor de overgrote meerderheid niet door mij veroorzaakt. Toch wil ik er best iets aan doen, zij het liever niet door in een heet land irrigatiegleuven te graven of condooms uit te delen aan verbijsterde pygmeeën, maar gewoon met geld. Daarbij maak ik natuurlijk wel keuzes, want anders raakt het zo gauw op. Als bijvoorbeeld de Nierstichting bij mij aanbelt, geef ik niet meer dan twee euro, omdat nieren wat mij betreft niet tot de verbeelding spreken. Dat vind ik wel gemeen van mezelf, want zo’n nier kan vast een hoop ellende veroorzaken als hij het niet doet, maar je blijft aan de gang. Kanker, honger en martelen daarentegen kunnen op mijn warme goedertierenheid rekenen, waarschijnlijk omdat ik me daarbij een maar al te levendige voorstelling kan maken. Daarom wil ik dan ook langs deze onsympathieke weg Amnesty verzoeken mij niet meer van die krantjes met enge foto’s en gruwelijke verhalen te sturen, want daar kan ik niet van slapen. Uiteindelijk word ik dan te uitgeput om geld over te maken en dan zijn we allemaal nog verder van huis.
Er belt hier regelmatig een vrouw aan met rare lichte ogen en haast geen haar, die naar eigen zeggen ‘van de banketbakkersschool’ komt, hoewel haar kegel eerder op zeer onlangs cafébezoek lijkt te wijzen. Wel verkoopt ze wafels, uit een schoenendoos vol vochtkringen, die vijf euro kosten en een beetje naar schimmel smaken. Ik koop die wafels altijd, want in zowel banketbakkers als drankzucht kan ik me een stuk beter inleven dan in nieren.
Sowieso ben ik eerder geneigd cash in een collectebus te stoppen dan virtueel geld te gireren, want het live in zo’n gleuf duwen van een tientje leidt tenminste zonder uitstel tot dankbare hoogachting van collecteurszijde. Trouwens, als je gironummer eenmaal in de weldoenersmolen zit, krijgen andere, vaak zeer vergezochte instanties daar onmiddellijk lucht van. Vervolgens stromen de noodroepen je bus in, ten bate van de stichting Uilen naar Athene, Ligfietsen voor Kazachstan of het aan de vergetelheid ontrukken van kleverige, lichtschuwe diersoorten die volkomen terecht op de rand van uitsterven staan.
Een Foster Parents-kindje overweeg ik weleens, zoals ik ook weleens overweeg op vakantie te gaan naar IJsland; het kan altijd nog. Een vriendin van mij, die doortastender is dan ik, deed het wél en wachtte vol van de nobelste gevoelens op de eerste brief van haar verre petekind. Ze had zich verheugd op een betraand zwart kleutertje dat op haar kosten opbloeide door zuiver water, vaccinaties en leermiddelen. Tot haar ontgoocheling ontving ze enkele weken na de eerste storting een vlot gesigneerde foto van een boomlange Oekraïense puber met creatieve gezichtsbeharing, een wenkbrauwpiercing en, zo bleek bij vorsing met een vergrootglas, een mp3-speler om zijn nek die zij zelf nooit had durven aanschaffen wegens te hoge kosten.
Die afstandadoptie is altijd al heikel geweest. Wij hadden vroeger thuis een spaarblikje van Gast aan Tafel; daar moest elke dag vijfendertig cent in, waarvoor dan elders een minder bedeeld kind behoorlijk te eten zou krijgen. Ik zat daar vreselijk over in. Hoe was het voor de rest van dat arme gezin om boven een kommetje natte rijst toe te moeten kijken hoe een van die kinderen daar kip met frites en appelmoes zat te schransen? Zoiets is erg genoeg om Amnesty eropaf te sturen. Gelukkig kwam alles nog goed: die vijfendertig cent per dag was te omslachtig en daarom deed mijn moeder gemakshalve af en toe een paar guldens tegelijk in dat blikje. Als dan ’s avonds haar sigaretten op waren peuterde ze met het broodmes die guldens er weer uit, voor de automaat om de hoek.
Bij de kleine huisgenoot P. hadden ze trouwens ook zo’n blikje, maar daar heette de actie Gas aan Tafel: P.’s moeder probeerde het nobele met het educatieve te verenigen en liet haar drie zoons een kwartje zakgeld doneren als ze onder het eten een boer of scheet lieten. Dat deden ze vaak. Toen het blikje vol was, mochten de jongens van het opgespaarde geld autootjes kopen: een vrolijke, maar uit pedagogisch standpunt wat ongerijmde besteding.
Toch is P. een goed mens geworden. Hij koopt Max Havelaar-bananen, als ze in de aanbieding zijn. Híj wel.