Rotapatiëntje
Bij je derde baby ben je niet overdreven voorzichtig meer, maar als het kotsen exorcistachtige proporties aanneemt ga je met zo’n bibberend dweiltje midden in de nacht toch maar naar het ziekenhuis. Met een mengeling van wringend medelijden en naïef vertrouwen kijk ik toe hoe de stakker voor zijn bestwil aan bliepende slangen wordt gekoppeld: nee, het is niet leuk, maar nu komt alles goed.
Eenmaal op de gang blijkt het ziekenhuis zo’n gezellig bedoelde wanhoopspoging om op architectonisch gebied nu eens alles helemaal om te gooien: een doolhof van units genaamd en genummerd Strandgaper 4, Aalscholver 1 en Duinpan 7, waar ik op zoek naar de wc verdwaal, over ludieke bruggetjes door nodeloos bochtige gangen, langs zalen vol zielige kinderen met onzegbare ziektes.
Overal zacht, dringend huilen maar mijn zoontje kan ik niet vinden. Bij Zandkasteel 9 zit een struise, geheel uit gesteven katoen opgetrokken Cerberus. Hoe kom ik bij Stormvogel 8?
‘Als u maar lang genoeg rondloopt, komt u altijd weer op hetzelfde punt uit’, zegt ze, filosofischer dan ze bedoelt, en sluipt op verstandige schoenen het murmelend geweeklaag van haar onderwereld binnen. Wanneer ik mijn zoontje eindelijk terugvind blijkt hij nog zieker dan daarnet. Dat was niet de afspraak.
Als hij eindelijk slaapt, ga ik bedroefd op zoek naar iets te eten. Tussen Kokmeeuw 3 en Mossel 5 vind ik na lang dwalen een automaat, waarin drie huzarenslaatjes gelaten op het einde wachten. De vrieskou van de zure aardappelpulp verkilt me bij de eerste hap tot in het schedeldak. Wedden dat er een heel bataljon cliniclowns ergens om de hoek van Potvis 14 dampende everzwijnen zit te eten terwijl mijn kind crepeert?
Dan komen twee vrijwel identieke, enorm dikke Surinaamse dames aangeschommeld. De een duwt een rolstoel waarin een jongetje met dreadlocks over een opzichtige puntzak snoep probeert uit te kijken, de ander draagt een aanmerkelijke stapel volle tupperwarebakjes. De vrouwen zijn in heftig gebloemde lappen gewikkeld, met een hoofdtooi als een bijrol in Kuifje. Het jongetje is merendeels van gips.
Ze verwijnen alledrie schaterend in Schateiland 12, waar een koffieautomaat en een magnetron blijken te staan. ‘Wij gaan wat lekkers opwarmen, hoor’, verklaart de dikste met een meewarige blik op mijn slaatje, en vijf minuten later zitten wij allen, inclusief een vaalbleke Brit, aan de roti met kip.
De dames eten onder melodieus deinend gekakel, de Brit zwijgt, het jongetje wordt na elke hap onder protest met een washandje afgewreven en zoekt ten slotte mokkend troost bij zijn gameboy. Af en toe zegt hij zachtjes ‘kut’. Naast hem ligt een stapel verflenste Libelles en een moppenboekje getiteld Vandaag niet, schat. Dat lijkt me wel to the point.
Op de gang rijdt een couveuse voorbij. Er ligt een kindje in ter grootte van een braadkuiken.
Mijn zoontje, intussen, ligt in een zogenaamde smetkamer. Hij drinkt liters water, die hij volgens het principe ‘dweilen met de kraan open’ meteen weer kwijtraakt. Dat houdt hij twee dagen vol, schor jammerend als een slecht afgestelde Turkse radiozender. De zaalarts, die eruitziet alsof hij sinds Kerstmis niet meer heeft geslapen, komt binnen en zegt: ‘Hij heeft het rotavirus, maar zet u het niet in de krant, want dan komen ze hier morgen allemaal met het rotavirus en daar zitten we niet op te wachten.’ Bekommerd sleept hij zich naar Wrakhout 12, waar een complete familie Aziaten hem op verlegen buiginkjes onthaalt. Het tengere vierjarig meisje in hun midden braakt juist demonstratief over haar roze feestjurk.
Ik raak in gesprek met de moeder van een net ontslagen rotapatiëntje, die giechelend meldt dat ‘in dit ziekenhuis een hele serie baby’s om zeep is geholpen door een krankzinnige verpleegster’.
Zeer snel ben ik terug in de smetkamer. Daar zit mijn zoontje op schoot bij hopelijk een andere verpleegster kraaiend een boterham met jam te eten. Een uur later mag hij naar huis. Mager als een zeepaardje, blijmoedig een volgend schampschot van het noodlot tegemoet.