Tobben
Wie een beetje op wil schieten in het leven doet er verstandig aan onbegrepen feiten gelaten naast zich neer te leggen. Sommige mensen zijn daar heel begaafd in, maar voor de gevorderde piekeraar zitten aan de dagelijkse gang van zaken nogal wat haken en ogen die vaak al vroeg in de morgen een dof gevoel van uitputting in de knieën veroorzaken. En dan bedoel ik niet eens problemen van wereldformaat, want daar is met een beetje doordenken nog wel een mouw aan te passen. Honger bijvoorbeeld, of oorlog: in het eerste geval wil flink eten nog weleens helpen, en oorlog is goed te voorkomen door alle wapens in een kluis te stoppen en de sleutel in een heel hoog keukenkastje te leggen, zodat je er haast niet bij kunt.
Nee, dan die spuitbusdeodorant op de wastafel. Waarom, in godsnaam, heet dat spul ‘8x4’? Elke ochtend sta ik daar onder de douche levendig over te tobben. De meest voor de hand liggende associatie is die van de tafels van vermenigvuldiging. Acht keer vier is tweeëndertig. En dan? Werkt het spul precies tweeëndertig uur, waarna de oksels als bij toverslag beginnen te zweten? Nee, want ondervinding leert dat men met zestien uur reukloosheid de handjes al dicht mag knijpen. Is tweeëndertig jaar de leeftijd waarop de menselijke oksel het zenit van stank heeft bereikt? Hierover heb ik nog geen uitsluitsel, maar mondiaal gezien lijkt de theorie nauwelijks houdbaar. Misschien zoek ik te diep, en is het de bedoeling dat men zich elke acht uur vier maal onder de armen sprayt? Op een huidoppervlak van acht bij vier centimeter? Ik zou de bedenker van deze merknaam graag eens onder acht keer vier ogen spreken. Discretie en hygiëne gewaarborgd.
Na zo’n slopend ochtendritueel moet er weinig meer bij komen. Niet uit het raam kijken: te laat. Waarom worden van twee exact gelijke bomen naast elkaar de blaadjes van de één drie volle weken eerder bruin dan van de ander? Waar blijven die eenden die kopje-ondergaan om een visje te vangen, en vervolgens, ook als je een kwartier lang panisch de gracht op en neer tuurt, nooit meer boven water komen? Mijn kinderen kunnen daar al helemáál niet tegen, en om de boel te sussen prevel ik altijd maar iets lafs over het mooie van de natuur in het algemeen en de onwaarschijnlijke longcapaciteit van drijvend gevogelte in het bijzonder. Gauw de deur uit, net of dát helpt. Daar heb je het al, een waarschuwing op de snelweg: ‘Nieuw wegdek – langere remweg.’ Zoiets kun je voor kennisgeving aannemen; als je gek bent, ja. Wat voor een reden is er om een nieuw wegdek aan te leggen met een langere remweg? Streven wij niet allen naar juist een kórtere remweg? Waarom dan niet alles bij het oude gelaten? Maar haal dan wél die praatpalen weg, met hun strotafknijpend eenzame overtolligheid. Of zit daar, aan de andere kant van een heftig krakende telefoonlijn, werkelijk nog een wakker team deskundig personeel gereed, accuklemmen en ventilatorriemen in de aanslag, parachute en zwemvest omgegord, met een ehbo-kit vol tot bruine kristallen opgedroogd jodium, roestige navelklemmen en vervilt rekverband, tot het uiterste gespannen te wachten op die éne vage entiteit uit een ander universum die zonder mobieltje in de berm gestrand is?
En dan de genadeslag: het uithangbord ‘En tóch heeft u God nodig’. De tekst suggereert, in flagrante tegenstelling tot de feiten, dat ons leven een aaneenschakeling van genoegens is, een badkuip vol liefde, vrede en warm eten, waar niemand om verlossing verlegen zit. En tóch heeft u God nodig. Waarvóór dan wel, als alles zo geweldig is? Telkens als ik er voorbijrijd jeuken mijn handen om met een ladder en een pot verf de slappe slogan recht te komen zetten: ‘Dáárom heeft u God nodig.’ Een reden hoef je er niet bij te geven, die heeft elke passant in ruime mate voorhanden. Een gratis tip, dames en heren van de zevendedagsadventisten, of wie het ook mogen wezen. Hordes gekwelde bekeerlingen zullen uw kerkje bestormen, zet de dranghekken maar vast klaar en schenk God een straf bakje koffie in. Stuur dan meteen een paar bevoegde engelen naar de telefooncentrale van die praatpaal. En laat ze hun chef even navragen, van die acht keer vier; ik kom eraan.