Ondergoedmalaise
‘Meid, je moet jezelf een beetje verwennen met de feestdagen, een ánder doet het niet,’ meende de verkoopster, terwijl ze mij een duwtje gaf in de richting van een rek vol duur ondergoed. ‘Je wil gewoon niet wéten hoeveel Hollandse vrouwen jarenlang in dezelfde drie ouwe bh’s lopen.’ Dat wilde ik wél weten, maar ze kon het mij helaas niet zeggen. Bovendien geloofde ik het niet: het is immers algemeen bekend dat er voor elke vrouw op de wereld maar één passende bh bestaat. Daarnaar is het lang, voor velen vruchteloos zoeken, in tl-verlichte paskamers, onder begeleiding van een fronsende juffrouw die er verstand van heeft: een bizarre pas de deux voor twee dames in een warm kamertje met verkeerde spiegels.
Daar sta je dan samen met een wildvreemde halfnaakt te tobben in de kleffe walm van generaties vrouwenzweet, de deskundige troela sjorrend aan bandjes, het slachtoffer zich pijnlijk bewust van de al tien dagen niet geschoren oksels en de oude bh, grauw aan de randen en uitgelubberd door vele slordige wasbeurten. Onder druk van de benarde situatie laat je je een inventief geborduurd geval aansmeren, honderdtien euro, maar dan heb je ook wat: bijvoorbeeld een bijpassende onderbroek, die na een kwartier scherp blijkt te schrijnen in de liezen. En die bh is wel mooi, maar er zitten enge harde naden in, die je overal doorheen ziet. De zoveelste vergissing in een stoet van miskopen.
Sport-bh’s bijvoorbeeld, die zijn niet duur en van comfortabele katoen, maar ze vormen op de doorsnee-Hollandse rug een bobbelig kruispunt van vleeskussentjes. Of, nog zo’n valstrik: de wonderbra, waarin achttienjarige meisjes hun borstjes dragen, smakelijk opgediend in van die schuine cupjes met een steunvulling van iets wat aanvoelt als rauwe kipfilet. Toch ook maar eens proberen. Maar een volwassen d-cup verandert op die manier in een zwoegende olala-operetteboezem, en bij het lulligste drafje om de tram te halen stuitert de hele handel tegen je kin.
Iets met een beugel dan maar? Het is even wennen, maar de boel zit stevig vast, en lijkt onder een strak truitje nog zo goed als nieuw. Maar zo’n beugel leidt een eigen leven, zeker als je tegen beter weten in alle was bij elkaar in overvolle machines propt. ‘Een lingeriezakje is het behoud van uw foundation, mevrouw,’ had de verkoopster nog gelispeld. Vergeefs. Dus springt, steevast op een toch al akelige receptie, zo’n harde balein uit het nylon tevoorschijn, met een beschamend kraakgeluid uit het net nog zo flatteuze decolleté. ‘Je bh,’ sist een collega, zelf benijdenswaardig plat, in zo’n heerlijk, oneerlijk flodderjurkje met spaghettibandjes.
Je kunt de ondergoedmalaise tijdelijk sussen met een serie zwangerschappen. Die nopen immers, voor je eigen bestwil, tot de aanschaf van grote, verstandige borstkurassen: ‘Nou mevrouw, dat wordt toch echt een cupje e’, en daarna de massief schragende katoenconstructies met voederkleppen om de happende babybekjes op elk gewenst moment van repliek te dienen, compleet met genant spuitend zog in openbare gelegenheden.
Je draagt ze nóg, ondanks vermaningen van de damesbladen, als de jongste al leert fietsen. Totdat, uiteraard weer zeer ongelegen, een van de bandjes het met een doffe plof begeeft, waarna de betreffende borst het op een lusteloos bungelen zet. In de verste verte geen veiligheidsspeld te bekennen. In het ondergoedlaatje vind je, goddank, nog een oude zwarte van het pre-babytijdperk. De enige echte droom-bh, die je al jaren zonder passen kocht en die zich altijd als een tweede huid om het bovenlichaam vlijde. Maar hij is wel heel erg afgesloofd en vervilt, en dat afgebroken haakje krast zeurderig op de rug. Nu kun je met dat oude ding naar een lingeriezaak gaan en vragen: ‘Doet u mij maar een nieuwe van deze. Of weet u wat, geef er meteen maar vijf.’ Tuurlijk, probeer het maar. De door de wol geverfde oude taart achter de kassa kijkt met opgetrokken neus op het vodje neer, en vonnist: ‘Nee, mevrouw, die is in 1998 uit de handel genomen.’ En dan begint de hele vernederende zoektocht opnieuw.