Biezen mandje
Genoeg is genoeg, zou je zeggen: nou heb ik toch drie kinderen, van wie de jongste nota bene min of meer per ongeluk. ‘Maar hij was reuze welkom, hoor!’ hoor je daar dan haastig achteraan te zeggen. Dat was hij ook, en dat is hij nog steeds. Maar hij loopt al lelijk tegen de twéé, en dat hele verse is er wel af. Zijn voorheen zo spekkige lijfje is genadeloos opgerekt tot een peuter vol pezen en harde botten. De handjes, die er destijds uitzagen of er bij de pols een draadje om gewonden was, zijn onderhand getraind in het zwaardere sloopwerk. En het ooit zo weerloze tuitbekje is een brutale muil geworden, vol scherpe tanden, prematuur van zijn broer geleerde vieze woorden en gestolen snoep.
Daarom wil ik dus weer een baby. Althans, ik wil helemaal niks, sterker nog, alleen al de gedáchte aan een nieuwe zwangerschap doet me op de knieën zinken en reutelend de wc-pot omhelzen. Het is een hogere macht, die mij telkens dwingt verliefd in wiegen te loeren, bij de Hema smachtend gebreide slofjes te betasten, of alles wat ook maar bij benadering pasgeboren is uit passerende kinderwagens te rukken om luid snuivend aan het argeloze schedeltje te ruiken.
Het slaat allemaal nergens op, want zo leuk was die babytijd nou ook weer niet. Uit die zogenaamd heerlijke eerste maanden kan ik me voornamelijk herinneren dat ik uitgeput, hormonaal ontregeld en dus meestal zachtjes huilend rondslofte in uitgelubberde positiezakken vol melkvlekken: in die ontredderde toestand heb ik trouwens eens (per ongeluk, maar Freud zou er wel raad mee weten) de kinderwagen met daarin mijn jongste bij het zuivelschap van Albert Heijn laten staan. Toen ik hem tien minuten later buiten adem van paniek en wroeging kwam ophalen, lag mijn zoontje vruchteloos naar consumpties te happen aan de dorre borst van een filiaalchef, die juist de politie had gebeld. ‘Ja mevrouw, dat kunnen ze allemáál wel zeggen, maar ik geef u niet zomaar een baby mee. Je hoort de raarste verhalen tegenwoordig.’ Ik vertelde de geschiedenis schoorvoetend aan een vriendin, die op haar beurt losliet hoe ze haar derde, slapend in een draagzak, eens twee volle uren aan de kapstok van een stampvol, rokerig café had achtergelaten, waar niemand het kind zelfs maar had opgemerkt. De baby hield er niks aan over, maar zij loopt er nóg voor bij de psychiater.
Kortom, het is eigenlijk geen levensfase om naar terug te verlangen. Bovendien, wat moet je met víér kinderen? Onaangename associaties dringen zich op, met de Daltons bijvoorbeeld, of met de ruiters van de apocalyps. Die laatsten waren óók met zijn vieren, en zaaiden aldus honger, oorlog, verderf en meer van die akelige dingen. Dat kunnen mijn kinderen ook met zijn drieën al heel goed, dus daar hoef ik het niet voor te doen. Om nog te zwijgen van logistieke problemen van zo’n nakomertje: in diverse kool-en-geitconstructies zou ik het grut bij elkaar in kamertjes moeten onderbrengen en alsmaar heen en weer naar ballet-, piano-, voetbal- en karateclubjes vervoeren, wat alleen lukt met een soort kordate efficiency waar helaas alleen heel andere vrouwen dan ik over beschikken. Bovendien is het de goden verzoeken, op je veertigste: wéér die angstige blikken op het echoscherm, of er wel tenen en oren aan zitten in de vereiste hoeveelheden, dokter, wat is dat voor een gekke witte vlek, nee mevrouw, dat is gewoon de navelstreng, maar als u écht zekerheid wilt hebben, kunnen we natuurlijk best even een decimeterslange naald door uw buik naar binnen prikken en dan heeft u al over twee maandjes de geruststellende uitslag!
En dan, bij wijze van duivelse bonus: een zwangerschap op mijn leeftijd zal de toch al zo geteisterde buikwand voorgoed tot een zwabberend vetschort doen uitzakken. Met een beetje pech is het ook nog een tweeling, zoals een kennis van mij een paar jaar geleden overkwam: ze heeft er dus nu víjf, plus die hangbuik, en neemt niet eens de telefoon meer op. Nee, ik begin er niet meer aan.
Maar ’s nachts word ik door zoete dromen beslopen. Er komt een biezen mandje in de gracht voorbij dobberen en ik zie opeens een zwaaiend armpje. Of, ’s ochtends op mijn stoep, zo’n bundeltje grauwe lompen waaruit bij nadere beschouwing een zacht gemurmel opstijgt... Zoiets kan iedereen overkomen, dus waarom mij dan niet?