Pas je wel op, meid?
Bijna vijftien jaar geleden woonde ik in Moskou. Omdat ik wel een auto had, maar geen rijbewijs, liet ik me daar rondrijden door chauffeur Viktor. Die betaalde ik daar buitensporige sommen gelds voor, wat mij niets kon schelen, want ik was door iets ingewikkelds met de koers van de roebel ontzettend rijk. Een sympathieke gang van zaken, waar een eind aan kwam doordat al mijn westerse vrienden schande spraken van deze zogenaamde uitbuiting. Waarom leerde ik zelf niet chaufferen? Dan zou ik bovendien ook ’s avonds vervoer hebben, want dan zat Viktor meestal op mijn kosten te zuipen.
Dat gaf de doorslag. Een rijleraar, Ljolik, was gauw gevonden. Hijzelf was een vloekende, kettingrokende en stinkende standaardrus, en zijn lesauto bestond uit een hoestende Lada zonder zijspiegels of gordels, want dat vond Ljolik ‘verwijfde onzin’. De enige mogelijkheid tot ingrijpen bestond uit een bezemsteel, waarmee Ljolik in noodgevallen op de rem kon stampen.
Nu is autorijden gelukkig helemaal niet moeilijk, zeker niet op een groot, leeg parkeerterrein. Al na drie lessen kon ik dus examen doen, bij een eveneens vloekende, kettingrokende en stinkende, maar gelukkig ook corrupte politieman. Het examen bleek, na het discreet overhandigen van een gesloten envelop, te bestaan uit honderd meter vooruitrijden, waarbij het wel raadzaam was nergens tegenaan te botsen. Ik slaagde glansrijk en stapte trots in mijn eigen Golfje. ‘Pas je wel op, meid?’ zei Ljolik nog, met een rudiment van geweten. Maar ik reed en ik reed, overal naar toe, en als het eng werd dan deed ik gewoon even mijn ogen dicht en toeterde heel hard. Of er ooit iemand terugtoeterde weet ik niet, want ik had altijd een walkman op: oude Motown-hits afgewisseld met Odessa-klezmer, op topvolume. Daarbij rookte ik onophoudelijk zeer smerige sigaretten van het merk Kosmos.
Autorijden was leuk, en ik voelde mij een vrouw van de wereld. In Moskou des te meer, omdat de meeste vrouwen daar niet rijden. Russische mannen kunnen daar namelijk niet tegen, ze worden er impotent van. Behalve als ze zo dronken zijn dat potentie sowieso geen factor van betekenis meer is, dan zijn ze bereid onder protest (nouvruiddammaargovvedomme) zich door hun vrouw (ach, hou je bek zuiplap) naar huis te laten rijden. Bijkomend voordeel van deze Russische folklore was dat ik, zelf zelden nuchter, nooit last met de politie kreeg, zolang er als verklaring voor de dranklucht maar een scheefgezakte man naast me zat, en dat laatste was meestal zonder veel moeite te regelen.
Zo scheurde ik jarenlang ondeskundig, dronken, jong en roekeloos door de spekglad beijzelde en met diepe kloven doorgroefde Moskouse straten. Om mij heen kleurde de sneeuw bloedrood van de gruwelijkste ongelukken, maar mij overkwam nooit iets.
Vijf jaar later, terug in Nederland, bleek het Sovjetrijbewijs niet geldig. Ik moest opnieuw examen doen. De frisse Hollandse rijinstructeur werd na honderd meter bleek om de neus, sprak van een ‘zwaar geval’ en leerde mij in ruim veertig peperdure uren alles af. Alles. Niet alleen het bruuske remmen, het te pas en te onpas toeteren, het slordige bochtenwerk en het schrapend inparkeren, maar ook mijn vlotte stijl, mijn jeugdig elan, mijn moed, mijn zelfvertrouwen.
Met terugwerkende kracht begon ik mij te schamen voor de voorbije wilde jaren. Het onverantwoordelijk rijgedrag, de drank, de reizen naar oorlogsgebieden, de mannen, wat had er niet allemaal kunnen gebeuren? Bij elke les voelde ik mijn ego krimpen, op mijn voorhoofd verschenen aarzelend de eerste duurzame rimpels. Toen er helemaal niets meer van mij over was deed ik examen, in slakkengang en bevend als een klein, bang knaagdier. De goede uitslag was geen feest, maar een vonnis.
De volgende dag reed ik, geheel apk-gekeurd, broodnuchter en in driepuntsgordels tegen een scooter op. Het was mijn schuld. Beide voertuigen waren total loss, ik had niks, maar die vent op die scooter kon het na een lang verblijf in het ziekenhuis nog maar net navertellen. Sindsdien heb ik nooit meer gereden, en zelfs in taxi’s breekt het zweet me uit.