Ballast in het hoofd
Ook wie objectief geen slecht mens is, vindt altijd wel iets om zich schuldig over te voelen. Zo heb ik een ruim huis in een leuke buurt, en dat is op zich al oneerlijk tegenover minderbedeelden. Erger nog, in dat toch al zo leuke huis bevindt zich een schattig zolderkamertje waarin met gemak zes vluchtelingen in stapelbedden zouden kunnen wonen. Of anders zou ik daar tenminste voor mijn dochter een rustig huiswerkplekje kunnen beredderen, in zo’n gezellige houtgeur van verse Ikea-meubeltjes. Maar dat is vooralsnog onmogelijk, tussen die stapels kruimelig vergeelde kranten vol uitgevochten oorlogen, babykleertjes met onuitwasbare fruit- en poepvlekken, schoenen die in 2016 volgens de onwrikbare cadans van de mode weer enorm gewild zouden zijn als het leer niet door het lange liggen stug en dof was geworden, Oostblokski’s uit de vroege jaren tachtig, roestige haltertjes en andere gênante relieken van vastgelopen sportieve oprispingen.
Ooit zat alles tenminste nog in dozen, wat een vernisje gaf van orde: helaas klimmen de kinderen geregeld het blauwbaardhok binnen, gewapend met zaklampen en pikhouwelen, en trekken alles overhoop op zoek naar oude dekens voor een indianentent of een Donald Duck van drie jaar geleden, ‘want daar stond zo’n mooie poster van Guus Geluk in, en die wil ik boven mijn bed hangen. Nu’. Onderhand kan de deur niet eens meer open. Ik zou dat kamertje kunnen uitmesten, wat ongetwijfeld een komisch relaas zou opleveren, vol bespiegelingen, aardverschuivingen, bulten, schrammen en even koddige als irrelevante terzijdes. Maar voorlopig begin ik er niet aan, want eerst moet de rommel in mijn hoofd weg.
Het is onvoorstelbaar wat daar in de loop der jaren allemaal aankoekt. Het merendeel van de opgeslagen feiten bestaat uit volkomen zinloze, hinderlijke ballast, die naar willekeur tevoorschijn komt: alsof er zwakbegaafde vakkenvullers bezig zijn geweest in een ontplofte supermarkt. ‘Lekkere koekjes met crème gevuld/en met chocola omhuld/vraag dus daarom alleen nog maar/naar Chocoprince van de Beukelaer’. De Beukelaer bestáát niet eens meer, maar in zo goed als dagelijkse Proust-buien zaagt het deuntje mij door de hersenpan, en verdringt daarbij levensreddende software als de tafel van negen, de locatie van mijn fietssleutels, en hoeveel bakpoeder er ook alweer in de muffins moet.
Ik herinner me met grote stelligheid dat mijn klasgenote Jolanda B. op het Haarlemse Mendelcollege in de herfstvakantie van 1979 heur haar liet permanenten. Dat kon me toen al niets schelen, en nu nog veel minder. Waarom is deze informatie dan blijven hangen, terwijl ik van mijn ontmaagding, drie jaar later nota bene, en door een hele lieve jongen, vrijwel niets meer weet?
Een ander probleem is Willem Ruis. Ik zie nog precies voor me wat hij twintig jaar geleden aanhad (een glitterjasje met bespottelijk strakke, hoge broek), ik weet nog hoe zijn stem klonk en hoe hij bleek werd van agitatie als een verbijsterd echtpaar op het nippertje een gloednieuwe ijskast of kleurentelevisie aan zijn neus voorbij zag gaan. Willem was stellig een aardige jongen, God hebbe zijn ziel, maar mijn hoofd hoeft zijn nagedachtenis toch niet te huisvesten? Zeker niet als die in de plaats komt van de verjaardag van mijn jongste broer, diverse pincodes en de aanvraag van een nieuwe Gall & Gall-klantenkaart.
A propos, wat heb ik aan de herinnering, op fotografische scherpte, aan een borrelglaasje in mijn ouderlijk huis, waarop sierlijk de woorden ‘De Grauwe Hengst’ gekalligrafeerd stonden? Doodsbang was ik als pas lezende kleuter voor dat glaasje, want een hengst was in mijn vijfjarig brein geen paard, maar een klap voor je kop. En dan nog gráúw op de koop toe... Mijn angst voor borrelglaasjes heb ik na enig volhouden weten te overwinnen, maar het zinloze beeld van een griezelend kind bij een donkere glazenkast blijft hardnekkig vóór allerlei nuttige feiten schuiven.
Had ik dat glaasje maar, ik zou het tegen de muur kapotsmijten en ruimte vrijmaken in mijn hoofd voor kappersafspraken, Schubert-symfonieën en het bevestigen van een vermoeden dat roestige aardappelmesjes vaak scherper zijn dan nieuwe. Wanneer het oud papier wordt afgehaald, dat schreeuwen tegen kinderen meestal averechts werkt en hoe je van twee oude dekens een mooie indianentent kunt maken. Heerlijke, handige informatie die maar niet beklijven wil, terwijl al die oude rommel blijft aanspoelen als lillende vlokken vuil schuim, halfverteerde badslippers en een onthoofde meeuw bij de Scheveningse pier.