Zegels
Bij de servicebalie van Albert Heijn stond een dunne vrouw in een lange zwarte lakjas te schreeuwen, zo luid en overstuur dat de inhoud van haar betoog aanvankelijk duister bleef. Het betreffende kassameisje, amper achttien maar al tobberig dik en kromgegroeid, zocht van onder haar hoofddoekje met radeloze, ronde ogen naar hulp, die al spoedig verscheen in de gedaante van een hanig filiaalchefje. De duimen onder zijn bretels gehaakt begon hij de krijsende vrouw sussend toe te spreken, waarop ze van de weeromstuit de winkel uit rende, met nog een gierende uithaal tot besluit. ‘Leip wijf’, hoestte de chef. ‘Om een paar zegels zo’n stennis trappen.’ Wat bleek? De vrouw had een spaarkaart vol keurig geplakte Zomerzegels, maar er ontbraken nog twee van die vals lachende zonnetjes. En de zomeractie was onherroepelijk afgelopen, net als de zomer zelf trouwens: de aansluipende herfst had haar geniepig het recht ontnomen op de gedroomde vijf euro korting. Het te hoop gesnelde maandagmorgenvoetvolk begon gretig aan een smalende nabeschouwing van het relletje, maar ik kon die vrouw eigenlijk heel goed begrijpen.
Ook in mijn leven vormen die kutzegeltjes een niet-geringe tragiek. Als kind al spaarde ik koortsachtig voor de hazelnotentaart van bakker Van Vessem, met het in poedersuiker uitgestanste eekhoorntje; maar vlak voor de verlossing verloor ik mijn portemonneetje vol beduimelde bonnetjes. Mijn oma verzamelde haar hele leven koffiepunten, want ‘wie wat bewaart die heeft wat’, aldus haar fris-Hollands credo dat in de hongerwinter nog was aangescherpt. Zo weerstond ze de heerlijke reeks verzilverde lepeltjes met het wapen van de Nederlandse provincies in blauwfluwelen couvert, om uiteindelijk het Douwe Egberts-walhalla te bereiken: een gratis koffiezetapparaat. Toen ze het bijna bij elkaar had, ging ze dood. In een laatje van het buffet vond ik stapels en stapels Roodmerk-bonnen, keurig langs de stippellijn uitgeknipt en bijeengehouden met postelastiek.
Een beetje weldenkend mens verdomt het natuurlijk, die intens burgerlijke zegelplakkerij. Bonus- en airmileskaarten zijn opium voor het volk, een smerig trucje van het grootkapitaal om de onderdrukte arbeiders van de klassenstrijd af te houden. Dus was ik jarenlang de enige die de volle mep moest betalen in pretparken en op huishoudbeurzen, onder hoongelach van omstanders.
Maar uiteindelijk won de hebzucht het van het dedain. Truttige zinsneden als ‘een dief van je eigen portemonnee’ drongen zich op. ‘Toch zonde?’ fluisterden geile buitenkansjes in de vorm van een pak waspoeder, familiepot pindakaas, grote rulle handdoek van het pompstation. Bovendien stuit je als niet-spaarder op agressie en onbegrip van de omgeving. ‘Dat kunt u niet máken, u gooit geld weg terwijl andere mensen honger lijden!’ schimpte een met juwelen behangen dame toen ik de speelgoedzegels bij Intertoys gedecideerd afsloeg. En een winkelbediende moest met natte lappen bijgebracht worden toen ik een tv kocht zonder airmilespasje, dat hemelsblauwe paspoort van Hollandse deugd.
Ook mijn kinderen kwamen in opstand. Ga er maar aanstaan ze de gratis poppenkastpoppen te weigeren, die Disney-dvd’s, de kaartjes voor de Efteling. Mijn vijfjarig zoontje laat zich zelfs door slinkse plakjes leverworst niet afleiden en kijkt de slager nauwkeurig op de vingers bij het verstrekken van zegels. ‘We gaan sparen voor een hamburger, hè mama!’ juicht hij smartlapperig, alsof ik niet zojuist voor dertig euro ossenhaas heb laten inpakken.
Die zegels slingeren vervolgens in lijzige lange slierten door het pand, want niemand is zo gek om ze in te plakken. Maar weggooien kan ik ze niet, want je weet maar nooit wat daar nou weer voor narigheid van komt.
Door een moment van zorgeloze onoplettendheid mijnerzijds waren mijn kinderen indertijd de enigen op school zonder reuzenwuppie. Krankzinnige lieden hadden de pluizige gedrochten massaal opgekocht, als hongerige sovjetburgers in de rij voor spitskool. Mijn laatste kans op zo’n felbegeerde haarbal verspeelde ik toen de buurvrouw buiten adem opbelde, vanuit Albert Heijn: ‘Kom gauw, ze hebben vandaag de laatste lading gekregen.’ Maar ik zat juist in een warm bad en vond de hele affaire bovendien belachelijk. ‘Wat ontzettend zielig voor je kinderen’, siste ze nog. En ja hoor. Met betraande gezichtjes moesten mijn stakkers vanaf de zijlijn toezien hoe fortuinlijker speelkameraadjes zich nog wekenlang te buiten gingen aan woeste wuppieorgies.
Ik heb er nog steeds spijt van. Vooral omdat er voortdurend overal in huis kleine wuppies opduiken, met hun klamme voetjes aan paraplubak, haardscherm of broodtrommel gekleefd. Vruchteloos zoeken ze met verdrietige plastic oogjes naar hun moeder. Allemaal míjn schuld.