Verbrand spek
In de volle trein was alleen nog plaats naast een voos dikke man met een gezicht dat nat en paars was als een afgeprijsde riblap en een regenjas die eruitzag alsof er geregeld in geslapen werd. Hij had een puntzak perendrups op schoot, die hij met handenvol tegelijk in zijn mond wierp en na haastig, fel kauwen doorslikte. Het maakte een geluid als een druk belopen grindpad. ‘Moet je ook wat?’ hoestte hij, graaiend in het zakje. De zuurtjeslucht gaf zijn jeneverkegel een pompeus geparfumeerd cachet. ‘Nee, dank je, ik heb net mijn tanden gepoetst’, loog ik. ‘Zelf weten’, zei hij schouderophalend, terwijl hij de suiker smakkend van zijn vingers likte. Uit zijn oor groeide een stugge pluk uitgeloogd varkenshaar.
In Leiden stapten nogal wat mensen uit, maar de man bleef zitten: hij was ingedommeld, slordig knikkebollend met roze scherfjes snoepgoed aan zijn stoppelkin. Bij wijze van contrast kwamen er twee meisjes binnen, zo bovenaards mooi dat je er er haast niet naar kon kijken, als fel zonlicht. Onmiskenbaar zusjes, een mollige en een dunne, zestien en achttien, met iets Indisch in de achtergrond. Ogen als schuingeslepen juwelen in strakke matgouden gezichtjes met pruilende poppenmondjes. Ze gingen aarzelend zitten en keken naar de man als schapen naar een naderend onweer. De mollige klemde haar tasje wat steviger vast, de ander legde voorzichtig, om het monster niet te wekken, een druipende paraplu in het bagagerek. Ze zeiden een hele tijd niets, hun tempodoeloehoofdjes verzonken in gedachten van ongetwijfeld etherische schoonheid. Over geurige jasmijnthee in porseleinen kommetjes, bloesemtakken op de Borobudur, een stralende zonsopgang boven bedauwde rijstvelden...
Toen opende de jongste haar kersenlipjes en sprak: ‘Tering, man. Echt kut.’
‘Ja, best wel eng’, vond haar zus. ‘We waren aan het gymmen, hè. En hij was dus écht best wel dik. 120 kilo of zo. Hij zweette altijd heel erg. Smerig, man. En stinken, dat wil je niet weten.’ Ze trok haar snoezige knopneusje op. ‘Nou, en hij krijgt het gelijk benauwd, bij het warmlopen al. Echt man, helemaal blauw in zijn gezicht...’
Ze zweeg even, beklemd. ‘Maar die gymleraar zegt hup, lopen, da’s goed voor je. En hij staat op en hij valt gelijk weer om. Toen hebben ze 112 gebeld, maar in die ambulance is hij dus doodgegaan. Toch best wel kut...’
‘Tering’, beaamde de ander. Ze schudde haar blauwzwarte haar over haar schouders en pulkte aan een oorbel. Het was een tijdje stil. Alleen de man met de perendrups snurkte zacht. Het was drukkend warm in de coupé. Ik deed het raampje open en liet herfstige mistflarden binnen, klam als angstzweet.
‘En wij dus naar de begrafenis, met de hele klas’, hernam de jongste met geknepen stem. ‘Zielig man, zijn moeder... huilen, krijsen, moslims, hè. Het was d’r enigste zoon. En ik zit er nou alsmaar aan te denken. Best wel eng, dat ie daar nou onder de grond ligt te rotten en te stinken. Ik kon er niet van slapen, vannacht. Smerig, man... ze kunnen je beter cremeren, dan ben je tenminste gelijk helemaal weg.’ ‘Nou, dat stinkt ook, hoor, cremeren’, relativeerde de oudste. ‘Zeker zo’n vette jongen, dat duurt eindeloos voor die helemaal verbrand is, dat wil je niet weten. Naar spek stinkt het dan.’ Ze begonnen aarzelend te giechelen.
De conducteur kwam binnen en eiste op montere toon de plaatsbewijzen. Ook ging het mobieltje van het oudste zusje af: een zwoele synthesizersamba. Ze klaarde nu echt op. ‘Hé, lekker ding!’ gilde ze in de hoorn, maar de trein reed net een tunnel binnen, en de verbinding werd verbroken.
De perendrupsman was van al dat lawaai wakker geschrokken, en keek van achter zijn gekreukelde puntzak verstoord naar de giechelende meisjes. Die merkten niks, nu allebei druk bezig met hun mobieltjes. Hun vlekkeloos gelakte nagels flitsten over de toetsen. ‘Verbrand spek’, huiverde de jongste. ‘Nou, als ik doodga...’ ‘Tering! Mijn beltegoed is op.’ De trein reed het station binnen, en de meisjes verrezen, hun jurkjes gladstrijkend als een koppel parkieten. ‘Jij gaat helemaal niet dood’, suste de mollige. En terwijl ze wegliepen met een knik naar de perendrupsman: ‘Maar híj wel. En hij stinkt nú al.’
Gierend van de lach renden ze het perron op. De man schoof de laatste zuurtjes in zijn muil en zuchtte: ‘Kutwijven. En ik moet godverdomme nog helemaal naar IJmuiden.’