Grote ladder

De opvallendste conclusie die ik na zeven jaar moederschap kan trekken is dat kinderen graag dood willen. Ze worden onweerstaanbaar aangetrokken door vleesmessen, glibberige kozijnen op vier hoog, ongeaarde stopcontacten, kokende olie en suizend gas. Hebben Cro-Magnonkleuters ook stropjes gemaakt van hagedissendarm? Pterodactylusbotjes in een bliksemschicht gehouden? Zich met de kop voorover in het precambriumvijvertje gestort? Ik denk het wel. Het is dan ook een wonder dat de mensheid, ondanks verwoede pogingen in die richting, niet is uitgestorven.

Je kunt proberen je kinderen van hun onzalige voornemens af te brengen met behulp van speelgoed. Over het algemeen is dat een zinloze onderneming. Kinderen spelen niet met speelgoed. Begrijp me goed, tot u spreekt iemand die een extra etage heeft gekocht voor de immer groeiende berg lering en vermaak. Maar daar wordt niet mee gespeeld. Behalve als er kameraadjes op bezoek zijn: dan slaan ze elkaar de hersens in om de inhoud van een verrassingsei uit 1998. Of een al even belegen happy meal-prulletje, want daarvan raken gek genoeg de batterijen nooit leeg. Na jaren blikkert en kakelt het tuig je nog tegemoet, terwijl de verantwoorde kindercomputer (e 175,95) reeds op de dag van aanschaf na een korte opleving van jankende halftonen met een droef geknetter de geest geeft. De aankoopbon ligt dan al met een zware appelstroopverkleving op de bodem van de vuilniszak tussen donkergroene kippenvellen en de inhoud van een overbloezende asbak.

Het vervangend exemplaar wordt na tien minuten lauwe belangstelling achter een radiator geschoven, want er zijn zoveel leukere dingen te doen: de klep van de piano dichtslaan op de handjes, bijvoorbeeld, want daar krijg je zulke grappige paarse nagels van. Of het laatste stel huissleutels van het balkon gooien, in de gierput van de onderburen. Mijn huis staat vol antieke hobbelpaarden, romantische schommeltjes, kleine, nét echte gereedschapskistjes, alles vergeefs.

De reusachtige hippe zitzak vonden ze pas echt leuk toen ze ontdekten dat hij open kon. Waarna dus 400.000.000 kleine, helwitte bolletjes piepschuim door het pand verspreid raakten: een te verwaarlozen portie werd tot stikkens toe door de baby geïnhaleerd, maar het merendeel bleef door statische lading nog wekenlang tegen de plafonds hangen.

Verdere bronnen van vermaak: het hevig gemartelde overschot van oma’s leesbril. Twee losse helften van een roestige wildschaar, want die passen zo handig in de gleuven van het broodrooster. Een verloederde herenparaplu, die niet meer dicht kan, maar waar van die fijne, scherpe baleinen uitsteken. Probeer eens zoiets na te maken, mijne heren van Fisher Price! Noem hem ‘My First Umbrella’, geef hem alle kleuren van de synthetische regenboog en laat hem Goldberg-variaties spelen of juist het Spongebob-thema: ze zullen er niet naar omkijken.

Hetzelfde geldt voor de telefoon. Mijn kinderen bezitten een stuk of vijftien baby-, kleuter- en peutertelefoons; van het goedkoopste plastic exemplaar met mysterieuze Aziatische snauwgeluiden tot een vertederende kersenhouten Max Havelaar-uitvoering met knopjes voor Mozart en Vivaldi. Ze zijn sleets van oneigenlijk gebruik als bootje respectievelijk schuurmachine, maar er wordt niet mee getelefoneerd. Want ze zijn niet echt. Mijn peperdure draadloze huistelefoon wél, dat begrijpt een baby. Met de herhaaltoets belt hij veertig keer achtereen een tante wier man op sterven ligt, of een goede vriend in Nieuw-Zeeland, waarbij zijn aandeel in de conversatie weinig meer behelst dan wat gelal, gekuch en kwijlen op de toetsjes. De verre gesprekspartner, menend dat hij met een beroerte van doen heeft, probeert vervolgens in paniek terug te bellen op diverse mobieltjes, waarvan er een in de spoelbak van de wc ligt en de ander in de dakgoot. De grote ladder moet eraan te pas komen, waarop de kinderhorde alles uit de handen laat vallen om met rode koontjes de reddingsactie gade te slaan. Vet cool, de grote ladder! ‘Je kunt naar beneden vallen, hè mama’, hijgt de vierjarige verlekkerd. ‘En dan ben je dood, hè?’ Zijn ogen stralen van verrukking.

Pekingeend bij nacht
x97890295756831.xhtml
x97890295756832.xhtml
x97890295756833.xhtml
x97890295756834.xhtml
x97890295756835.xhtml
x97890295756836.xhtml
x97890295756837.xhtml
x97890295756838.xhtml
x97890295756839.xhtml
x978902957568310.xhtml
x978902957568311.xhtml
x978902957568312.xhtml
x978902957568313.xhtml
x978902957568314.xhtml
x978902957568315.xhtml
x978902957568316.xhtml
x978902957568317.xhtml
x978902957568318.xhtml
x978902957568319.xhtml
x978902957568320.xhtml
x978902957568321.xhtml
x978902957568322.xhtml
x978902957568323.xhtml
x978902957568324.xhtml
x978902957568325.xhtml
x978902957568326.xhtml
x978902957568327.xhtml
x978902957568328.xhtml
x978902957568329.xhtml
x978902957568330.xhtml
x978902957568331.xhtml
x978902957568332.xhtml
x978902957568333.xhtml
x978902957568334.xhtml
x978902957568335.xhtml
x978902957568336.xhtml
x978902957568337.xhtml
x978902957568338.xhtml
x978902957568339.xhtml
x978902957568340.xhtml
x978902957568341.xhtml
x978902957568342.xhtml
x978902957568343.xhtml
x978902957568344.xhtml
x978902957568345.xhtml
x978902957568346.xhtml
x978902957568347.xhtml
x978902957568348.xhtml
x978902957568349.xhtml
x978902957568350.xhtml
x978902957568351.xhtml
x978902957568352.xhtml
x978902957568353.xhtml
x978902957568354.xhtml
x978902957568355.xhtml
x978902957568356.xhtml
x978902957568357.xhtml
x978902957568358.xhtml
x978902957568359.xhtml
x978902957568360.xhtml
x978902957568361.xhtml
x978902957568362.xhtml
x978902957568363.xhtml
x978902957568364.xhtml
x978902957568365.xhtml
x978902957568366.xhtml
x978902957568367.xhtml
x978902957568368.xhtml
x978902957568369.xhtml
x978902957568370.xhtml
x978902957568371.xhtml
x978902957568372.xhtml
x978902957568373.xhtml
x978902957568374.xhtml
x978902957568375.xhtml
x978902957568376.xhtml
x978902957568377.xhtml
x978902957568378.xhtml
x978902957568379.xhtml
x978902957568380.xhtml
x978902957568381.xhtml