Doodshoofdjes
Naarmate januari vordert zie je de verse niet-rokers langzaam afbrokkelen. Drie weken hebben ze zich in de eerste roes van zelfoverwinning op de been gehouden met behulp van buitenissige psychologische technieken (‘heerlijk, die onthoudingsverschijnselen! Dat betekent dat mijn lichaam het gif uitdrijft!’).
Ze hebben nicotinepleisters op broeierige lichaamsdelen geplakt, alles ruikt en smaakt weer fantastisch, maar nu is de lol er echt af en willen ze gewoon een heel grote sigaret hebben. Meestal nemen ze die ook, maar eerst zoeken ze verschrikkelijke ruzie met hun huisgenoten, zodat ze die de schuld kunnen geven.
Zelf ben ik anderhalf jaar geleden, na een kwart eeuw roken, gestopt. Dit heb ik beslist niet te danken aan doorzettingsvermogen, dapperheid of wat voor frisse Hollandse deugd dan ook, maar aan een zwangerschap die mij zo onheroïsch misselijk maakte dat ik al wit wegtrok als ik op de tv iemand naar een aansteker zag grijpen. Een mazzeltje!
Uiteraard liet ik geen kans onbenut om iedereen te vertellen hoe zwaar ik het had gehad, en hoe gelouterd ik uit de strijd was gekomen. Maar wat bleek? De zelfingenomen niet-roker met zendingsdrang is passé. Vies kijken en wapperen met een krant als iemand aan de overkant van de gracht een sigaret opsteekt was tot voor kort nog het eervolle gebaar van wie er ‘echt helemaal vanaf’ was: maar de laatste jaren is het juist bon ton om af en toe eens gezellig op te steken, zonder de kinderachtige neiging er meteen weer met trillende bruine vingers een pakje per dag doorheen te jagen. Alleen bij speciale gelegenheden!
Nu is ‘speciale gelegenheid’ een gevaarlijk rekbaar begrip. Niet alleen een behaald examen, gestorven poes of nieuwe liefde vallen in deze categorie, maar bijvoorbeeld ook een bijzonder goed gelukte stoofschotel, een foto van een slapende ijsbeer in de National Geographic of louter het feit dat men al een hele dag niet gerookt heeft.
Als men zich eenmaal op dit hellende vlak begeeft, treedt algauw fase twee in, waar het credo als volgt luidt: ‘Nee, zelf koop ik nooit meer sigaretten. Ik biets er af en toe wel eens eentje voor de gezelligheid als ik toevallig bij een roker op bezoek ben.’
Wee de stakker die in deze zelfgegraven kuil valt. Zoals vriendin R., die vanaf het middaguur rusteloos van de ene vage kennis naar de andere fietst, en tussendoor in cafés haar werkzaamheden verricht op de laptop. Of het echtpaar G., dat vrijwel dagelijks dure en tijdrovende etentjes geeft, voor mensen die ze eigenlijk niet eens aardig vinden. Als er echt helemaal niemand komt opdagen heeft hij een pakje in de meterkast liggen, en zij een in het onderbroekenlaatje, maar dat weten ze niet van elkaar.
In het volgende stadium geeft men de hoop op ooit nog van de sigaret af te komen en houdt men zichzelf en partner niet meer voor de gek.
Het enige probleem zijn nu de kinderen, die op school hebben geleerd dat je van roken doodgaat en daar vaak nogal hysterisch op reageren. Je moet wel een hele harde zijn om gewoon je peuken uit te drukken in zo’n met schattig onbeholpen doodshoofdjes beschilderde asbak.
En zo staan ouders schichtig te kleumen op het balkon, sloffen hun druipnatte blokje om met de excuushond en zitten in bizarre houdingen op het fornuis met hun hoofd in de afzuigkap. Als het kroost in bed ligt, geven ze zich eindelijk ongeremd over aan hun verboden liefde. Waarop uiteraard een kindje beneden komt, niet kunnende slapen, eng gedroomd; daar zitten ze, met gloeiende askegels van schaamte. ‘Het is een jointje, hoor schat!’ loog R. laatst geruststellend tegen haar dochtertje, dat er niet intrapte (o ja? waarom heeft papa er dan óók een?) en zo hartverscheurend huilde dat R. daarna, toen het kind met verse beloftes gelijmd weer in bed lag, van puur schuldgevoel het hele pakje achter elkaar oprookte.
Nee, ik ben blij dat ik er helemaal van af ben en gelukkig hebben wij een stevig traphekje.