Eenzame lettervreter
Ongewenst kinderlozen zien vaak een beetje op tegen het adopteren van zo’n elders overgeschoten schaapje. ‘Je wilt er toch het liefst een van je zelf’, zeggen ze. En dan beginnen ze aan de zoveelste heikele, pijnlijke procedure op weg naar een ‘eigen kind’. Onzin natuurlijk. Je gaat van een kind houden, niet omdat het je armzalige erfelijke materiaal een generatie verder sleept, maar aanvankelijk omdat het zo lekker naar koekjes ruikt en later ondanks alles. U kunt gerust een vers eskimootje of negertje in een biezen mandje voor mijn deur zetten (wel goed inpakken!). Ik zal daar precies dezelfde gevoelens voor hebben als voor mijn eigen nageslacht: een mengsel van wrevel en redeloze liefde.
Zelfs wil ik liever geen kind dat op mij lijkt. Ik was een voornamelijk uit bril en scheefgeknipt spaghettihaar bestaand schuw, vadsig bleekneusje met afgeknaagde nagelstompjes en bijpassende neuroses. Ook wist ik altijd alles beter, wat niet hielp. Mijn klasgenootjes lieten mij in het gunstigste geval links liggen. Op mindere momenten schopten of bespuugden ze me, en goten lauwe Joris Driepinter-schoolmelk in mijn tas, uit die vrolijke driehoekige kartonnetjes. Tegenwoordig worden zowel de pestkoppen als de slachtoffers door de Riagg bekeerd, maar in de vroege jaren zeventig moest je zoiets zelf maar uitzoeken.
Ik hoefde trouwens ook helemaal geen vriendjes. Mijn eenzaam doch diep geluk bestond uit het lezen van drie bibliotheekboeken per dag en het schrokken van Milky Ways die ik kocht in de pauze, met gestolen kwartjes uit het knipbeursje van juf Duinker. Mijn moeder, die vond dat frisse lucht voor vrijwel alle problemen de oplossing was, stuurde me op gezette tijden de straat op, waar de buurkinderen al joelend klaarstonden om met hun stepjes over mij heen te rijden. Ik nam daarom mijn boek heimelijk mee onder mijn jas, en las verscholen in een halfdonker portiek ongestoord verder tot ik weer naar binnen mocht.
Tegenwoordig heb ik nauwelijks tijd om te lezen, en de Milky Ways zijn vervangen door drank, waarvoor ik het geld nu niet meer hoef te stelen. Maar verder ben ik eigenlijk nog dezelfde als toen ik acht was, dit uiteraard niet in mijn voordeel.
In mijn kinderen herken ik gelukkig vrijwel niets van mezelf. Mijn dochtertje bijvoorbeeld, is zo’n vlot, stralend blond schatermeisje uit een levensverzekeringsreclame. Elke dag treedt ze het leven met een op niets gebaseerd enthousiasme en zelfvertrouwen tegemoet. Je kunt haar geblinddoekt in een onbekende wijk uit de auto zetten: binnen een kwartier heeft ze twee nieuwe hartsvriendinnen, een ijsje en een paard. Het soort meisje, kortom, dat ik haatte. Maar omdat ze mijn dochter is, bid en dank ik iedere dag iets of iemand, je weet maar nooit, dat ze altijd zo zal blijven.
Hoewel ze al heel jong goed kon lezen, toonde ze tot mijn blijdschap geen ziekelijke belangstelling voor het beschikbare plankje verantwoorde kinderboeken. Op enig aandringen was ze bereid Jip en Janneke voor te lezen aan haar broertje, met de minzame glimlach van iemand die zoiets kinderachtigs geheel te boven is. Was het mogelijk dat een kind van mij niet zou opgroeien als eenzame lettervreter, maar tot zo’n gezonde, gezellige Cosby Show-jongere?
Te vroeg gejuicht. Vorige week bracht een huisvriend Paul Biegels Kleine kapitein mee, waar mijn dochter beleefd in begon te bladeren. En toen viel alsnog met een doffe dreun het genetische zwaard van Damocles. Uren zat ze met gloeiende wangen te lezen, het boek moest mee naar bed, en de volgende ochtend vroeg ze of die meneer nog méér boeken geschreven had. Het vriendinnetje dat ’s middags kwam spelen klaagde na een uurtje dat mijn dochter ‘zo saai’ was. ‘Gaan jullie eens lekker naar buiten!’, riep ik fris. Terwijl haar speelkameraadje opgelucht een stepje besteeg, trok mijn kind met starende ogen haar laarzen aan. Pas later, door het raam, herkende ik de rechthoekige verdikking onder haar jas. En de verlangende blik waarmee ze de schemerige gracht af keek: op zoek naar een portiek, om ongestoord te kunnen lezen.