Moorkop
Er zat toch echt een beetje lente in de lucht, je kon best zonder jas. De vrouw die bij de diepvriesgebakafdeling van de Konmar stond te twijfelen tussen de Bossche bollen en de appelvlaai, had zelfs alle remmen losgegooid. Ze droeg een zilverige minirok, een mouwloos truitje en, waarschijnlijk om het niet te gek te maken, een witte panty aan haar duidelijk niet op het voorjaar toegeruste benen. Witte panty’s staan alleen leuk als je vijf bent en op ballet zit. Deze vrouw had naar alle waarschijnlijkheid nooit op ballet gezeten, sterker nog, het viel nauwelijks te geloven dat ze ooit vijf was geweest; vijftig, dat wel, zij het geruime tijd geleden.
De doorzichtige witte panty toonde in ieder geval een soort deltawerken van spataderen in de weidse knieholtes en kwastjes van zwarte beharing op de schenen. Ook haar blote armen lieten in hun doffe kwabbigheid weinig aan de verbeelding over. Maar haar slordige plooigezicht straalde, met krachtige steun van de cosmetische industrie, een onwrikbaar zonnig zelfvertrouwen uit. Ze verspreidde trouwens een lucht als een ontplofte doos kersenbonbons.
‘Wat is nou eigenlijk het verschil tussen een Bossche bol en een moorkop?’ vroeg ze aan een jongen die juist met een steekwagentje voorbijkwam. Aan hem was bij wijze van contrast niets dofs of kwabbigs te bekennen. Hij was slank, pikzwart en had het stralend witte gebit waarmee negers nog maar een halve eeuw geleden geregeld in tandpastareclames figureerden. ‘Een Bossche bol is helemáál met chocola bedekt en een moorkop alleen aan de bovenkant’, sprak hij naar waarheid. ‘En een moorkop heeft ook nog een beetje slagroom bovenop, maar een Bossche bol niet.’
‘Goh, bedankt’, antwoordde de vrouw, terwijl ze met een rudimentair flirtgebaar iets aan haar grijze permanentje verschikte.
De jongen, misschien zeventien, vervolgde zijn bezigheden met het steekwagentje, waarbij telkens een stukje van zijn gladde rug boven de broekband zichtbaar werd: een tafereel waarvan de vrouw zich duidelijk maar met moeite los kon rukken. Peinzend duwde ze haar boodschappenkar langs het ijzige taartenmausoleum, wierp af en toe een zoekende blik over haar schouder en tastte rillend naar een doos bevroren tompoezen. Van achter de blikgroente kwam nu een circa achtjarig meisje in een strak roze truitje aangeschommeld, met deels geblondeerd piekhaar en de vroegrijpe tietjes van een veel te dik kind.
De vrouw in de witte panty greep het wicht bij de arm en sprak: ‘Hé, muts, moet je nou gebak of niet? Wel bij oma blijven, hoor, ik zoek me eige rot! Wat sta je nou te dansen, moet je plassen?’
Inderdaad keek het kind benauwd en had het de handen tussen de vette dijtjes gewrongen. Er ontspon zich de klassieke supermarktdialoog (‘Waarom ben je nou thuis niet gegaan?’ ‘Ja, maar toen móest ik nog niet.’ ‘En ik zeg je nog zó...) die zoals gebruikelijk werd onderbroken door panisch rondkijken naar een wc die er meestal niet is. Ook hier niet.
Het meisje begon hardop te jammeren en de vrouw overwoog duidelijk een flinke lel, maar hield zich in met het oog op ongetwijfeld noodlottige gevolgen voor de sluitspierbeheersing van haar kleinkind.
In de verte deinde de zwarte jongen voorbij, nu met een stapel gebaksdozen. De oma hees haar panty wat op en rende hem op een scheefgehakt sukkeldrafje tegemoet. Je zag haar druk praten, wijzen en gebaren naar het meisje, dat met gekruiste benen tegen de vrieskist geleund stond te wiebelen. De jongen glimlachte, weer met die tanden, trok een sleutel uit zijn borstzak tevoorschijn en wenkte het kind, dat met de handen in het kruis op één been achter hem aandanste. Samen verdwenen ze achter een verveloze klapdeur.
De vrouw, achtergebleven bij de taarten, trok een spiegeltje uit haar tas en keek daar een poosje goedkeurend in. Toen kwam het meisje weer tevoorschijn, duidelijk opgelucht, met in haar hand bovendien een kleine slagroomsoes. Ze wuifde even naar de vriendelijke vakkenvuller, maar haar oma liet het daar niet bij: ze greep hem vastberaden bij zijn mooie kop en gaf hem een zuigende klapzoen. Daarna verdween ze met haar boodschappenkarretje en het giechelende kind in de richting van de kassa’s. Terwijl de jongen kalm maar grondig de paarse mondafdruk van zijn wang veegde, begon buiten keihard een draaiorgel te spelen.
Geen twijfel mogelijk: van nu af aan was de lente niet meer te stuiten.