Blauw oog

De legendarische Shakespeareacteur John Barrymore zei het al: ‘Vrouwen kunnen drie dingen maken uit niets: een slaatje, een hoed en ruzie.’ Aan die hoed kun je zien dat het een citaat uit een grijs verleden is, maar dat van dat slaatje en die ruzie gaat nog steeds op. Vrouwen maken ruzie, mannen zijn vaak de oorzaak, maar zelden de aanstichter. Dat leerde ik al jong van mijn ouders, met behulp van aanschouwelijk onderwijs. Mijn vader hield van zuipen, schuinsmarcheren en nog wat andere pretjes die in een huwelijk zelden van pas komen. Bij thuiskomst werd hij dan door mijn moeder in de keuken langdurig uitgescholden. Hij schreeuwde niet terug, maar wachtte gelaten tot het over was, als een paard in de regen. Dat maakte mijn moeder nog razender, en deed haar met zware voorwerpen gooien. Soms liet ze een fles jenever klokkend leeglopen in de gootsteen, de enige wanhoopsdaad die mijn vader uit zijn nevels van onverschilligheid kon sleuren.

Wij kinderen vonden hem trouwens wel een leuke man, want we mochten vaak mee naar het café om daar op de jukebox te zitten, belachelijk veel chocomel te drinken en op de flipperkast te spelen met behulp van een eindeloze stroom kwartjes, ons toegestopt door divers menselijk wrakhout dat intussen vrolijk lallend zat te klaverjassen of bamzaaien; verzetjes waarvan thuis geen sprake was, want mijn moeder geloofde in houten speelgoed en brood met veel zemelen.

Onbekend met fenomenen als alcoholisme en overspel begrepen we nooit waarom mijn moeder zo kwaad was, en waren daarom geneigd op vaders hand te zijn. ‘Ze is weer bezig’, constateerden we geërgerd aan de andere kant van de keukendeur. Vervolgens gingen we in de huiskamer de koektrommel leegschrokken, in een tot mislukken gedoemde poging om onze beklemming te bezweren.

Toen mijn ouders eenmaal gescheiden waren heb ik nooit meer koekjes gegeten, en zelfs nu, dertig jaar later, word ik nog een beetje misselijk bij de aanblik van een rol mariabiscuit. Ook nam ik mij als tienjarige voor om later nooit ruzie te maken met mijn echtgenoot, een besluit dat op den duur niet houdbaar bleek. Zeker in de beginjaren van een huwelijk heb je als vrouw zijnde vaak nog de neiging om van alles te willen veranderen aan een man waar eigenlijk niet eens zo veel mis mee is. Een zinloos en doodvermoeiend streven dat kan leiden tot gooi- en smijtwerk of zelfs handgemeen. Zo wierp ik eens een volle theepot naar het hoofd van mijn grote liefde, in een strijd die toen van levensbelang leek, maar waarvan ik nu, vijftien jaar later, de quintessens vergeten ben. Hij ontweek die theepot in ieder geval, waarna het ding tegen de kastdeur kapot smakte, precies boven een openstaande sokkenla. Wij legden vervolgens op de een of andere manier de ruzie bij, maar alle sokken zaten vol scherven, zodat wij telkens bij het aantrekken van een schoon paar pijnlijk werden herinnerd aan die scène. Uiteindelijk trouwden we toch nog en kregen drie kinderen.

Dat betekent trouwens allerminst dat we nooit meer ruzie hebben. De verdeling van de zorgtaken bijvoorbeeld is een dankbaar onderwerp voor een incidentele scheldpartij. Bij die ruzies heb ik altijd gelijk. Toch lijken ook mijn kinderen, net als ik vroeger, weer op de hand van hun vader te zijn. Toegegeven, ík ben degene die schreeuwt, net als vroeger mijn moeder; maar wel een stuk minder oorverdovend, en aan jenever weggooien begin ik natuurlijk niet. Tot lichamelijk geweld komt het bij ons, sinds die theepot, al helemáál niet meer. Des te merkwaardiger is het volgende voorval: van de week kwam ik, na een kleine chirurgische ingreep, met twee gezwollen blauwe ogen thuis. Mijn oudsten wisten wat er aan de hand was, maar mijn tweejarig zoontje tastte vooralsnog in het duister. Onderzoekend keek hij mij in het toegetakeld gelaat, tot hem uiteindelijk een licht op ging. En hij joelde vol verrukking: ‘O, dat heeft papa gedaan, hè mama?’ Zijn oogjes stráálden van bewondering.

Pekingeend bij nacht
x97890295756831.xhtml
x97890295756832.xhtml
x97890295756833.xhtml
x97890295756834.xhtml
x97890295756835.xhtml
x97890295756836.xhtml
x97890295756837.xhtml
x97890295756838.xhtml
x97890295756839.xhtml
x978902957568310.xhtml
x978902957568311.xhtml
x978902957568312.xhtml
x978902957568313.xhtml
x978902957568314.xhtml
x978902957568315.xhtml
x978902957568316.xhtml
x978902957568317.xhtml
x978902957568318.xhtml
x978902957568319.xhtml
x978902957568320.xhtml
x978902957568321.xhtml
x978902957568322.xhtml
x978902957568323.xhtml
x978902957568324.xhtml
x978902957568325.xhtml
x978902957568326.xhtml
x978902957568327.xhtml
x978902957568328.xhtml
x978902957568329.xhtml
x978902957568330.xhtml
x978902957568331.xhtml
x978902957568332.xhtml
x978902957568333.xhtml
x978902957568334.xhtml
x978902957568335.xhtml
x978902957568336.xhtml
x978902957568337.xhtml
x978902957568338.xhtml
x978902957568339.xhtml
x978902957568340.xhtml
x978902957568341.xhtml
x978902957568342.xhtml
x978902957568343.xhtml
x978902957568344.xhtml
x978902957568345.xhtml
x978902957568346.xhtml
x978902957568347.xhtml
x978902957568348.xhtml
x978902957568349.xhtml
x978902957568350.xhtml
x978902957568351.xhtml
x978902957568352.xhtml
x978902957568353.xhtml
x978902957568354.xhtml
x978902957568355.xhtml
x978902957568356.xhtml
x978902957568357.xhtml
x978902957568358.xhtml
x978902957568359.xhtml
x978902957568360.xhtml
x978902957568361.xhtml
x978902957568362.xhtml
x978902957568363.xhtml
x978902957568364.xhtml
x978902957568365.xhtml
x978902957568366.xhtml
x978902957568367.xhtml
x978902957568368.xhtml
x978902957568369.xhtml
x978902957568370.xhtml
x978902957568371.xhtml
x978902957568372.xhtml
x978902957568373.xhtml
x978902957568374.xhtml
x978902957568375.xhtml
x978902957568376.xhtml
x978902957568377.xhtml
x978902957568378.xhtml
x978902957568379.xhtml
x978902957568380.xhtml
x978902957568381.xhtml