Rot

Het was niet helemáál ‘The day the music died’, maar toch: de dood van Martin Brozius was een dreun die in mijn uitgebreide kennissenkring nog lang zal nagalmen. De uitingen van leedwezen liepen te hoop in mijn mailboxje, en stellig ook in dat van vele andere 43-jarigen. help!!! wat nu???, stuurde mijn vriend R. panisch rond, zonder zelfs maar te vermelden om wie het ging en wat er gebeurd was.

Dat was ook niet nodig, want ik wist het al. Als ze mij ooit vragen: ‘Waar was jij toen je het nieuws van Brozius’ dood hoorde?’ hoef ik geen seconde na te denken: achter de computer natuurlijk, want dat is nu eenmaal al geruime tijd de plaats waar men de dood van wie dan ook verneemt, eerstegraads familieleden uitgezonderd. De 67-jarige moeder van vriend W. had aan Brozius een tedere herinnering, die haar zoon zonder dralen het internet op knalde: ‘Ik ben nog met hem naar de Hoornse kermis geweest. We waren zestien, denk ik. Na afloop gingen we met vijf meiden en Martin Brozius in het grote bed liggen. Toen kwam zijn moeder kwaad binnen en stóven we weg.’ Zo’n Martin toch! Behoorlijk doortastend eigenlijk, voor iemand die echt behoorlijk op Goofy leek. Maar misschien maakte de Hoornse kermis iets los bij zestienjarige meisjes wat hen door zulke uiterlijke oppervlakkigheden heen deed kijken.

Zelf moet ik eerlijkheidshalve vermelden dat ik indertijd niet veel zag in die hele Brozius. Die snor alleen al. Hij was met afstand de onaantrekkelijkste figuur uit het overigens briljante Kunt u ons de weg naar Hamelen vertellen, meneer?, met Loeki Knol als goede tweede. En naar Ren je rot keek ik wel, maar uitsluitend omdat je toch íéts moest op zo’n woensdagmiddag in de jaren zeventig, want als je je al te opzichtig zat te vervelen begon je moeder over ‘je kamer opruimen’, of, o horror, ‘lekker buiten spelen’. Dan nog liever Ren je rot. Of Stuif es in, met de strenge doch rechtvaardige kleuterleidster Ria Bremer, en die balk vol brieven, waar – ik wist het zeker – nooit eens mijn school uit getrokken zou worden, zodat ik door het leven moest zonder Gouden Stuiver. Of desnoods keek ik, onder krachtig ironisch voorbehoud, naar Maja de bij en Wicky de Viking, al trok ik de grens bij Ti Ta Tovenaar, want vooral diens dochter was ronduit eng, en ook die grobbebollen, een soort wuppies avant la lettre, boezemden me een diepe weerzin in. Wél echt leuk vond ik Tweekamp, ‘de kwis voor middelbare scholieren’, met Judith Bosch, Dick Passchier en de mysterieuze juryleden, ‘de heren Krijn en Van Pesch’. Van die laatsten is nadien niets meer vernomen. Wellicht zijn ze na de laatste aflevering bijgezet in het grote, geheime, ondergrondse omroepmausoleum.

Judith Bosch is griezelig weinig veranderd, ook Dick Passchier leeft nog (al heeft hij decennialang in Noorwegen gewoond, lees ik net. Waarom Noorwegen???), maar zijn ooit zo onkreukbare gelaatstrekken zijn verworden tot de tronie van een goedmoedige, vadsige haai uit een tekenfilm. Dat lot is Willem Ruis gelukkig bespaard gebleven, want hij stierf jong en knap: de Hilversumse Kurt Cobain. Van Willem hield ik écht, al val ik gewoonlijk niet zo op blond. Ook van hem weet ik nog waar ik was toen ik het bericht van zijn dood vernam: bij een krantenstalletje in Joegoslavië, uit een drie dagen oude Telegraaf. Ik was er kapot van, en dat vonden mijn reisgenoten belachelijk, want het was geloof ik rechts om Willem leuk te vinden. Nou, dan maar rechts: Willem was een schat, al zat hij tot zijn oogbollen onder de coke.

Dood is hij, net als Brozius, Swiebertje, Pipo de Clown, Sjef van Oekel en andere televisiehelden van vroeger. Miljoenen kijkers trokken die lui indertijd, stuk voor stuk. Zelfs van q & q, amper ouder dan ik, is er al een ter ziele. Als het zo doorgaat is er van mijn jeugd binnenkort niks meer over. Gelukkig heb ik Rob de Nijs nog.

Ik verzin dit niet
x97890295756761.xhtml
x97890295756762.xhtml
x97890295756763.xhtml
x97890295756764.xhtml
x97890295756765.xhtml
x97890295756766.xhtml
x97890295756767.xhtml
x97890295756768.xhtml
x97890295756769.xhtml
x978902957567610.xhtml
x978902957567611.xhtml
x978902957567612.xhtml
x978902957567613.xhtml
x978902957567614.xhtml
x978902957567615.xhtml
x978902957567616.xhtml
x978902957567617.xhtml
x978902957567618.xhtml
x978902957567619.xhtml
x978902957567620.xhtml
x978902957567621.xhtml
x978902957567622.xhtml
x978902957567623.xhtml
x978902957567624.xhtml
x978902957567625.xhtml
x978902957567626.xhtml
x978902957567627.xhtml
x978902957567628.xhtml
x978902957567629.xhtml
x978902957567630.xhtml
x978902957567631.xhtml
x978902957567632.xhtml
x978902957567633.xhtml
x978902957567634.xhtml
x978902957567635.xhtml
x978902957567636.xhtml
x978902957567637.xhtml
x978902957567638.xhtml
x978902957567639.xhtml
x978902957567640.xhtml
x978902957567641.xhtml
x978902957567642.xhtml
x978902957567643.xhtml
x978902957567644.xhtml
x978902957567645.xhtml
x978902957567646.xhtml
x978902957567647.xhtml
x978902957567648.xhtml
x978902957567649.xhtml
x978902957567650.xhtml
x978902957567651.xhtml
x978902957567652.xhtml
x978902957567653.xhtml
x978902957567654.xhtml
x978902957567655.xhtml
x978902957567656.xhtml
x978902957567657.xhtml
x978902957567658.xhtml
x978902957567659.xhtml
x978902957567660.xhtml
x978902957567661.xhtml
x978902957567662.xhtml
x978902957567663.xhtml
x978902957567664.xhtml
x978902957567665.xhtml
x978902957567666.xhtml
x978902957567667.xhtml
x978902957567668.xhtml
x978902957567669.xhtml
x978902957567670.xhtml
x978902957567671.xhtml
x978902957567672.xhtml
x978902957567673.xhtml
x978902957567674.xhtml
x978902957567675.xhtml
x978902957567676.xhtml
x978902957567677.xhtml
x978902957567678.xhtml
x978902957567679.xhtml
x978902957567680.xhtml
x978902957567681.xhtml
x978902957567682.xhtml
x978902957567683.xhtml
x978902957567684.xhtml
x978902957567685.xhtml
x978902957567686.xhtml
x978902957567687.xhtml
x978902957567688.xhtml
x978902957567689.xhtml
x978902957567690.xhtml
x978902957567691.xhtml
x978902957567692.xhtml
x978902957567693.xhtml
x978902957567694.xhtml
x978902957567695.xhtml
x978902957567696.xhtml
x978902957567697.xhtml
x978902957567698.xhtml