Kunstsneeuw
‘Het lijkt wel of de pepernoten elk jaar wéér vroeger in de winkels liggen.’ Dat is zo’n typisch Hollandse klacht die ik nooit heb begrepen, want ten eerste hoef je die pepernoten helemaal niet te kopen als je daar geen zin in hebt, en ten tweede, als je van pepernoten houdt dan is het toch juist fijn dat ze te koop zijn? Kroketten en jenever zijn immers óók het hele jaar te koop en daar hoor je nooit iemand over. Ik wou dat ik jullie sores had, want hier in het verre Amerika zijn geen kroketten en jenever, laat staan pepernoten. Bovendien is het hier 22 graden, maar evengoed zijn de winkels versierd met rendieren, kunstsneeuw en eng-joviale Coca-Cola-kerstmannen.
Volledigheidshalve zit er bij de ingang van elke supermarkt een deerlijk verschrompelde meervoudig gehandicapte in een plastic arrenslee met een koperen bel te rinkelen voor Kinderen Zonder Tandartsverzekering, Artsen Zonder Auto, Dakterraslozen en andere marginale goede doelen.
De Sint, intussen, komt wel naar Washington, maar niet altijd van harte, hoorde ik van een moeder wier zoontje vorig jaar door de goedheiligman op de Nederlandse ambassade dusdanig onheus werd bejegend dat het kind per omgaande van zijn geloof viel en dat is natuurlijk niet de bedoeling als je pas vier bent. Nou ja, misschien dat er zich dit jaar een wat aimabeler attaché in de tabberd hijst. Ik heb al heel wat sinterklaasvieringen in den vreemde doorstaan en ik moet zeggen: je hebt er ambassadeurs bij die duidelijk hun roeping hebben gemist, en de mijter met verve dragen, al worden ze meestal geflankeerd door Zwarte Pietjes die, ondanks hun initiële poging tot nep-Spaans met veel rollende r’en, hun bekakte diplomatenvrouwenaccentjes toch na een paar sherry’tjes vanonder de fluwelen baret de vrije loop laten.
Maar goed, soms heb je toch best een leuke avond, zoals die keer op de Nederlandse ambassade in Moskou. Voor de gelegenheid was daar een flinke voorraad korenwijn aangerukt: het Russische personeel van de ambassadeur begreep voldoende Nederlands om te doorgronden dat het hier ‘wijn’ betrof, en schonk de uitstekende jenever daarom kwartlitergewijs in bordeauxglazen, waarbij vreemd genoeg niemand ingreep of zelfs maar protesteerde.
Mijn kinderen loggen intussen dagelijks na school met ingehouden adem in op Dieuwertje Blok, die nog steeds met een bewonderenswaardig gebrek aan ironie uit de doeken doet of de weersomstandigheden ja dan nee het berijden van daken en het strooien van pepernoten toelaten. Er kwam een heikel moment, toen mijn kinderen op last van Dieuwertje hun schoen zetten. Het enige lekkers dat ik in huis had was een wasmand vol overgeschoten halloweensnoep en daar trappen ze natuurlijk niet in. ‘Je kunt er toch gewoon géld in doen, mama?’ fluisterde mijn dochter hoopvol. Zij is sinds twee jaar ongelovig en koestert het feest uitsluitend nog uit prozaïsch winstbejag. Maar ik kon haar broertjes, die zo devoot met sterrenoogjes voor de haard stonden te zingen, toch niet blij maken met een vuistvol dollars?
Ha, daar was de postbode, die vreemde ogen heeft en zijn bezoek steevast vergezeld doet gaan van hoog, zangerig ‘Jesus is cóming... it’s a wonderful day... Jesus is cóming...’, maar hij had wél het reddende pakje bij zich van de firma Kaas&Company. Dat zijn Nederlanders in Amerika die van de nood een deugd maakten en een postorderbedrijfje begonnen in onontbeerlijk vaderlands erfgoed als nasikruiden, washandjes, hagelslag, plastic eierlepeltjes (ja, hoe eten Amerikanen hun ei eigenlijk?) en, goddank, een breed arsenaal sinterklazigheden.
De chocoladeletters werden de volgende morgen om halfzes onder gejuich verslonden. En ik dacht boven in bed met weerzin aan de eindeloze reeks Hollandse en Amerikaanse festiviteiten in het verschiet, door mijn zoontje als volgt samengevat: ‘Gisteren kwam Sinterklaas en vanavond komt Santa Claus, hè mama? Dan ga ik mijn sók zetten!’