Dompelaar
Het begon met een zakmes. Ik was acht en had er lang om gezeurd, maar mijn ouders waren terughoudend, want ze vreesden Truman Capote-achtige bloedbaden. Bij wijze van compromis kreeg ik uiteindelijk een stomp damesmesje met parelmoeren handvat, amper geschikt voor het schillen van een peertje, laat staan dat ik daar ooit in oerwouden een ontstoken blindedarm mee zou kunnen verwijderen. En ik wist nota bene precies hoe dat moest, want dat had ik in de Kijk gelezen.
Eenmaal op eigen benen kocht ik daarom zo’n Zwitsers zakmes, met alles erop. Ik heb er nu, een kwart eeuw later, wel een stuk of twintig versleten; ik verloor ze aan gretige neefjes, gaten in zakken of achterdochtige luchthavenbeveiligers. Maar ik koop telkens een nieuw en klap dat altijd weer met begerig genot open. Toegegeven, de visontschubber gebruik ik niet dagelijks en de haak om bergschoenen mee te strikken vervult me zelfs van weerzin, want bergen beklimmen lijkt me akelig en zinloos. Maar de kurkentrekker leerde ik vlot hanteren, alsook het daar perfect ingebed in liggende, vertederende zonnebrillenpootjesschroevendraaiertje. En die leernaald kan heus nog wel eens van pas komen als ik onverhoeds een tent moet naaien uit de huid van een antilope die ik eigenhandig ontschubd heb.
Voor de zekerheid neem ik uit hotelkamers daarom ook altijd het setje naaigerei mee. Zo veel nuttigs en gerieflijks in zo’n plat envelopje! Alleen al dat kaartje met vier à tien kleuren garen; je appelgroene avondjurk zal het maar begeven als je op het punt staat een Nobelprijs in ontvangst te nemen. Geen paniek, ook met trillende handen glijdt de draad gedwee door het oog van de naald, met behulp van dat ingenieuze opvouwbare lusje, aan een soort aluminium muntje geklonken, dat om volstrekt ondoorgrondelijke redenen overal ter wereld al sinds jaar en dag is voorzien van altijd hetzelfde snoezige reliëfje: een damesgezicht en profil, met opgestoken haar. Als de moed me om welke reden dan ook in de schoenen dreigt te zinken kijk ik altijd even naar zo’n naaisetje. Ik heb er een stuk of tien in mijn handtas. En in mijn koffer zit altijd een dompelaar. Die gewoonte ontstond toen ik nog door de Sovjet-Unie reisde, waar toen ook culinair barre onzekerheid heerste. Met zo’n ding kun je oploskoffie, poedersoep of zelfs een gekookt ei bereiden. Voor dat laatste droeg ik een adembenemend reiszoutvaatje in de vorm van een kleine rood-witte paddestoel bij me. Russische dompelaars lieten helaas vaak de stoppen doorslaan, waarbij niet alleen het hotel, maar ook complete steden (ik herinner me Magnitogorsk) wekenlang ontredderd in het duister stonden. dompelaars verboden stond er dan ook altijd overal, waar niemand zich aan hield, getuige de sporen van uitslaande brand rond de goeddeels weggesmolten hotelstopcontacten.
Ik ben al een poosje niet meer in Rusland geweest en de hotels en vakantiehuisjes waar ik tegenwoordig kom, zijn over het algemeen van dien aard dat men er zonder hulpstukken kan overleven. Toch gaan mijn mes, dompelaar plus zoutvaatje en naaisetje altijd mee, sinds enige tijd bovendien vergezeld van een reisstrijkijzer, een nagelverzorgingsset en een heupflacon whisky tegen malaria. Vorige zomer kwam het miniversterkertje voor de iPod erbij, met boxjes ter grootte van een luciferdoosje, en dit jaar tevens een opvouwbaar tosti-ijzer en een compacte traveller-espressomachine.
Ik zit hier in een klein Frans huisje, tussen al mijn kleine gemakjes. Het wachten is nu alleen nog op een schaalmodel van mijzelf, dat al deze spulletjes ook daadwerkelijk gaat gebruiken. Zelf kom ik er niet toe, want strijken of verstellen doe ik thuis niet eens, de horeca laat hier niets te wensen over, mijn nagels bijt ik gewoon af en de stilte is hier zo mooi dat muziek opzetten zonde zou zijn. De hele boel gaat zoals gewoonlijk weer ongebruikt mee terug. Maar er is hoop: mijn negenjarige dochter heeft zojuist om een zakmes gevraagd.