Doos
Bij de zoveelste poging om orde in de puinhopen te scheppen, stuitte ik op de naaidoos die mijn oma lang geleden voor mij inrichtte. Hij heeft een vreemde kleur: mijn oma hield van ingewikkelde halftinten met chique namen als mauve, taupe, vert-de-nil of cerise.
Mauve is ook die houten naaidoos, een gedistingeerde kleur inderdaad, afgezien van de hardnekkige associatie met steunkorsetten of gehoorprotheses. Bij het openen walmden mij allerlei herinneringen tegemoet. De handwerkjuf op de lagere school heette mevrouw Miesmacher, had ten overvloede een hees, Teutoons accent en bestond voornamelijk uit paars aangelopen, stampvoetend protest tegen de onafwendbare menopauze. Wij moesten onder haar krijserig bewind voortdurend speldenkussens breien, die vervolgens gevuld werden met oude, vaak ongewassen panty’s: de meeste ook al weer mauve, want zwarte panty’s werden toen nog uitsluitend gedragen door hitsige weduwvrouwtjes. Het breiwerk zelf werd samengesteld uit dun katoenen garen, dat stroef stropte in mijn klamme vingers, en dan ook, vooral wat betreft de lichter getinte fragmenten, een niet uit te wassen groezeligheid vertoonde.
De jongens hadden het trouwens ook niet makkelijk, want die moesten figuurzagen, waarbij de zaagjes alsmaar schril piepend bleven haken in het triplex en vervolgens afbraken. Maar zij hoefden tenminste geen pannenlapjes te haken of knoopsgaten te leren afzomen met een festonsteekje.
Punniken vond ik nog het minst erg, al herinner ik me dat het eindeloos duurde voor er tergend langzaam een bont gekleurde rups uit het klosje tevoorschijn kwam, waar je, ook na lang piekeren, geen andere bestemming voor had dan het gebruik als snel verviltende sleutelhanger of armband. Mijn oma moedigde het punniken desondanks aan, want zij beschouwde het als een goede voorbereiding op ingewikkelder handwerk, en dus op het leven zelf. Met lede ogen zag zij aan hoe ik, haar oudste kleindochter, slechts één handvaardigheid vlot onder de knie kreeg: het al fietsend zonder handen rollen van een joint uit drie aan elkaar geplakte vloeitjes. Zelf breide ze complete slaapkamerameublementen en borduurde ze Monets Japanse bruggetje na in ‘petit point’, een techniek van nachtmerrieachtige arbeidsintensiviteit die, hoop ik, tegenwoordig bij wet verboden is.
Toen ik ongetrouwd met mijn vriendje naar Moskou verhuisde, probeerde ze aan mijn opvoeding te redden wat er te redden viel en gaf me die naaidoos mee. Het ding was een compacte samenvatting van Hollandse deugden als zuinigheid en vlijt: de inhoud grotendeels samengesteld uit overgeschoten lapjes, restjes wol en vilt, Wybertjesdoosjes vol tweedehands knopen en drukkertjes, vreemd gevormde naalden, onbegrijpelijke krijtjes, een punnikklosje in de vorm van een langgerekte vliegenzwam en een zelfgemaakt speldenkussen dat met zijn frisse, veerkrachtige embonpoint in geen enkel opzicht leek op mijn voormalige pogingen in die richting. Op de bodem van het kistje bevond zich een allergeheimzinnigst voorwerp van gepolijst hout: het zag eruit alsof het voornamelijk geschikt was voor het afbreken van ongewenste zwangerschappen, maar bleek bij angstige navraag ‘kind, gewoon een handschoenspanner!’.
Ik vond die naaidoos een verachtelijk symbool van vrouwenonderdrukking en kleinburgerdom. Maar eigenlijk had ik stiekem helemaal niets tegen vrouwenonderdrukking, zolang die maar gepaard ging met een avontuurlijk doch financieel zorgeloos bestaan, en ik het handwerken aan andere onderdrukte vrouwen kon overlaten.
Eenmaal in Moskou stelde ik de doos daarom ter beschikking aan mijn huishoudster annex kgb-spion Galja, die hem gebruikte om hoofdschuddend knopen aan mijn bloesjes te zetten, die tijdens verre reizen of slordige drinkgelagen waren losgesprongen. Omdat ook Galja wel wat beters te doen had dan kantklossen of festonneren bleef de inhoud op die paar draadjes na zo goed als intact.
Mijn oma, daarentegen, ging dood.
Inmiddels hebben mijn kinderen zich die kist toegeëigend vol verbazing over al die onbekende voorwerpen. Mijn zoontje doet dingen met de handschoenspanner die ik liever niet wil weten en mijn dochter loopt al dagen vragend achter mij aan met het punnikklosje. Ik heb geen idee meer hoe dat moet, maar mijn relaas over de fleurige wollen slang heeft haar danig opgewonden. Ook bevriende knutselmoeders en peuterjuffen laten het lelijk afweten. Ik vrees dat er niks anders op zit: ik ga mijn moeder bellen.