Prent
De meeste kinderen, ook de mijne, hebben een hardnekkige drang tot het maken van tekeningen. Het lullige is: kinderen kúnnen niet tekenen.
Ze slijpen met veel rondvliegende houtkrullen eindeloos potloden waarvan de punt telkens blijft afbreken omdat de interne loodstift door voormalig gooi-en smijtwerk in vele, millimeters kleine stukjes is gebroken. Ze maken ruzie om die ene niet-verdroogde viltstift (een donkergele), wenden zich vervolgens tot de doos waterverf, waarvan de twaalf fleurige verftabletten door ongeschoold mengen één egale, brakke moerastint hebben aangenomen en alle penselen bovendien onthaard of verhard door oneigenlijk gebruik als lijmkwast blijken. En ten slotte kliederen ze met de wijsvinger een kletsnat, vuilgroen zonnetje rechtsboven op een enorm vel papier, waarna ze het waterbakje omgooien en tv gaan kijken.
Ja, zeg, hebben ze dáárvoor die enorme rotzooi gemaakt? Nee, nou zal er getekend worden óók! ‘Dat is een mooie tekening, hoor, jongens, maar hij is nog lang niet af!’ Voor je het weet zit je zelf, om het Goede Voorbeeld te geven, perspectiefloze boomgaardjes of zwakzinnige girafjes onder die zompige zon te schetsen, terwijl het ondankbaar gespuis over je schouder verlangende blikken werpt op een scherm vol Nintendo-commercials.
‘Mooi, hoor, mama!’ zeggen ze welwillend en ze rukken nog een zak Dorito’s open. Maar soms krijgt er een daadwerkelijk de geest, en wrocht iets waarvan hij hoopt dat ik het ontroerend zal vinden. Een huilende hommel of sip zeehondje bijvoorbeeld, bedroefd over het gat in de ozonlaag, of dergelijk al dan niet vermeend milieumalheur. Dat soort Greenpeace-smartlapperij leren ze geloof ik op school.
Boelie speelde het zelfs klaar ter ere van Martin Luther King-dag thuis te komen met een onbeschrijflijk morsige prent waarop hij, op verzoek van zijn juf, de apotheose van de Amerikaanse rassenscheiding als volgt had samengevat: een wit en een zwart poppetje bevinden zich in een autobus, het witte poppetje zegt: ‘Jij moet voor mij opstaan!’ Het zwarte poppetje zegt: ‘Nee!’ Helaas waren noch de bus, noch de beide poppetjes, noch de bijgaande tekst als zodanig herkenbaar, zodat hij veel uit te leggen had. ‘Stop je hem nou in de grote map?’ vroeg hij daarop hoopvol, want ik bezit wel degelijk een bovenmaatse ordner van gemarmerd karton, waarin zich onder meer een anderhalve meter lange stoomboot bevindt, compleet met rookpluim van watten, vier Pieten aan de bedenkelijke kant van de queteletindex en een Sint wiens tabberd weliswaar van mooi, bordeauxrood fluweel is, maar de onderliggende bisschoppelijke naaktheid vanaf de navel onbedekt laat.
Aan die boot is met overgave gewerkt, dat kun je zien. Hetzelfde geldt voor een kartonnen ezeltje waarin mijn dochter vele jaren geleden op ingenieuze wijze twee rozijnen en een prop op straat gevonden hondenhaar verwerkte. Althans, ik hóóp maar dat het hondenhaar was, en van die rozijnen ben ik ook niet zeker. Nee, er komt niet zomaar van alles in mijn grote map, maar wát er eenmaal in terechtkomt zal ik bewaren tot mijn dood. Of anders in elk geval tot ik het weggooi.
Al laat Boelies tekentalent nogal te wensen over, schrijven leert hij nu eindelijk wel. Niet met zo’n omslachtige pen en papier, maar gewoon op de computer. Het valt hem zwaar, want de aanstormende tweetaligheid veroorzaakt allerlei linguïstische kortsluitingen in zijn toch al vonkend en knetterend brein. Laatst, toen ik een paar dagen op reis was, stuurde hij mij zijn eerste e-mail. Ik had die kunnen printen en in de grote map kunnen stoppen. Maar ik deed het niet, want daarmee zou ik de grens tussen kunst en kitsch maar nodeloos overschrijden.
hi mama ik hep an moie newu getar
ik hep choklat
ik vin yuw lief
Daaronder een door zijn zus genomen foto van zijn grote, blije hoofd. Het gaat goed met hem. Hij heeft een mooie nieuwe gitaar, hij heeft chocola en hij vindt mij lief. Dit alles voor zolang als het duurt. Niet zo heel lang, vrees ik.