Spreker
Spreken voor publiek is ontzettend eng, al staat menigeen tegenwoordig ontspannen gesticulerend in microfoons te ouwehoeren alsof er niks aan de hand is. Toen ik klein was, hóórde je nog gewoon doodsbang te zijn voor het houden van een spreekbeurt. Wie zijn tekst (over courante huisdieren, of bij ontstentenis daarvan ook wel dinosaurussen) met al te veel aplomb bracht, werd als ‘brutaal’ bestempeld, en brutaliteit gold in die dagen nog niet als een maatschappelijk pre, maar als een wat onsmakelijke eigenschap van de heffe des volks, waartegen dwangarbeid in zoutmijnen nog wel eens wou helpen.
Het was dus een teken van beschaving om tijdens zo’n voordracht te blozen, te zuchten en af en toe hardop te snikken. Ook klasgenootjes hielden trouwens hun adem in tot het weer voorbij was, en gaven de verdwaasd sidderende voorbeeldhamster, kletsnat van kinderangstzweet, zo snel mogelijk aan elkaar door, als een handgranaat met getrokken pin.
Kinderen van tegenwoordig hebben van Big Brother-achtige programma’s geleerd dat het volkomen normaal is om tot in je intiemste handelingen door camera’s gevolgd te worden. Dan is zo’n spreekbeurt natuurlijk een peulenschil.
Dinosauriërs blijken onverwoestbaar als onderwerp, maar de kleine knaagdieren zijn ingehaald door maatschappelijke pijnpunten als ‘de bio-industrie’ ‘Theo van Gogh’ en ‘het tropisch regenwoud’, waarbij modieus geklede achtjarigen op gemakkelijke toon wantoestanden aan de kaak stellen in relaxed raconteursproza, terwijl ze kleurenprints uitdelen van larmoyant kwijnende legbatterijkippen, filmstills uit Submission of staafdiagrammen van het uitdijende gat in de ozonlaag.
Zelf kwam ik helaas niet over mijn podiumvrees heen, ook niet in het voortgezet onderwijs, waar ik spreekbeurten handig ontweek door veel te spijbelen en mij op gezette tijden van school te laten verwijderen wegens wangedrag.
Des te lastiger werd het op de universiteit. Studiegenoten die zich bij het corps aansloten hadden het makkelijker, want die leerden ten dispuutshuize na enige onderdompeling in hete soepterrines of bekogeling met kluiten stamppot algauw ad hoc een vlotte causerie te houden over uiteenlopende onderwerpen als ‘het neuken op kopieermachines door de eeuwen heen’ of ‘diverse anale toepassingen van bier in beugelflessen’. De aldus aangeleerde spreekvaardigheid kwam goed van pas tijdens de studie, want je moest vrijwel wekelijks een spreekbeurt houden, die om onduidelijke redenen opeens ‘referaat’ heette.
Ik bewaar kwellende herinneringen aan een voordracht over ‘drogredenen’ waartoe ik het benodigde materiaal letterlijk had overgeschreven uit een taai negentiende-eeuws standaardwerk.
Er bestaan, zo bleek, héél wat verschillende drogredenen, alle met Latijnse namen, en die besloot ik volledigheidshalve maar gewoon achter elkaar op te noemen. Al bij het ‘ad baculum’ liet mijn gehoor duidelijk zichbaar alle hoop varen, en ergens tussen het ‘non sequitur’ en het ‘ad nauseam’ viel zelfs een meisje flauw. Het bleek dat ze een maagzweer had die niet mijn schuld was, maar toch maakte de docent nog vóór het verlossende ‘ad misericordiam’ een einde aan mijn betoog.
Om verdere onaangenaamheden te voorkomen besloot ik te stoppen met mijn studie. Zo ontkwam ik de daaropvolgende twintig jaar tot ieders genoegen aan het toespreken van gezelschappen. Tot er een paar maanden geleden een boekje van mijn hand verscheen en ik plotseling in diverse provinciesteden werd uitgenodigd om te komen voorlezen. Weigeren was niet aardig en bovendien mocht dat niet van mijn uitgever. Geschraagd door frequent psychiaterbezoek en valium stapte ik op de trein naar Deventer, waar, zo had de mevrouw van de organisatie me tot mijn schrik verzekerd, om stipt acht uur een ‘uitverkochte zaal’ op me zat te wachten. Dat deed die zaal inderdaad, want mijn trein bleef zonder opgaaf van redenen anderhalf uur stilstaan op een verlaten baanvak bij Apeldoorn. Ik nam onbeheerste teugen wodka uit een heupflacon, en bad dat papa en mama me zouden komen halen. Ze kwamen niet. De trein ging eindelijk weer rijden en voerde mij tegen halftien een slaperig Deventer binnen. Vijf minuten later wierp ik mij, paars en hijgend maar onder opgelucht applaus, op dat podium.
‘Waarom schrijft u?’, vroeg een bevoegde mevrouw zonder omhaal. Daarop moest ik het antwoord helaas schuldig blijven.