Foto
Met al mijn vrienden heb ik onlangs afgesproken dat wij voortaan geen foto’s meer van elkaar maken. Dat voorkomt een hoop ellende. Want wat wil het geval: wij waren vroeger allemaal jong en mooi, maar dat wisten we niet. We dachten dat we lelijk waren en deden uit wanhoop de stomste dingen zoals onflatteuze kleren dragen, elkaars of ons eigen haar knippen met een keukenschaar en desastreuze gevolgen, en, in de vergeefse hoop op liefde, aandacht en zelfbevestiging, naar bed gaan met iedereen die daar ook maar de geringste animo voor vertoonde. In de tijd die overbleef hingen we met de hele kliek in cafés, waar tot brakens toe Pat Benatar gedraaid werd, en namen zwart-witfoto’s van elkaar met een tamelijk slechte Sovjet-camera van het merk Zenith. Fotograferen gold toen nog als een vorm van kunst, omdat je er geduld voor moest hebben, benevens filmrolletjes, speciaal papier, een vergroter en een verduisterde badkamer met plastic bakken vol stinkende vloeistoffen. Dat alles kostte geld en daarom werd elke foto met de grootst mogelijke voorzorg genomen, om geen materialen te verspillen. Als je gefotografeerd werd bleef je dus netjes stil zitten en plooide je gezicht zorgvuldig in de gewenste stand, wat meestal een kwijnend verveelde uitdrukking opleverde die we uit Franse cultfilms hadden afgekeken: een effect dat grotendeels teniet werd gedaan door onze idiote kapsels, maar toch, mits vaag afgedrukt, een draaglijk resultaat opleverde.
Kom daar nu maar eens om. Fotograferen is geen kunst meer, en bovendien gratis: er worden tegenwoordig meer foto’s gemaakt dan ooit, met mobieltjes van acht megapixel, wat helaas haarscherpe foto’s oplevert van taferelen die véél beter ongefotografeerd hadden kunnen blijven. Zit je net stomdronken ergens heel hard om te lachen, hop, daar maakt een van je ‘vrienden’ een foto en vereeuwigt je met drie onderkinnen, een klodder guacamole in je decolleté en je hand in het kruis van een disgenoot. Als het een beetje tegenzit stuurt deze ‘vriend’ de noodlottige afbeelding meteen door naar twintig andere ‘vrienden’, die desgevraagd verklaren dat je er ‘zo leuk op staat, echt helemaal jezelf’, terwijl dat nu juist het enige is wat je van een foto verlangt: dat je er níét op staat als jezelf. Uit wraak maak je vervolgens een serie minstens even onflatteuze foto’s van al je vrienden, bijvoorbeeld terwijl ze liggend in bad de Nieuwe Revu doornemen met een pompstationleesbril op, of in een geel joggingpak naar Boer zoekt vrouw kijken met een fles lambrusco aan de mond.
Kijk, zo ontstaan wereldoorlogen. Zo werd onlangs bijvoorbeeld bekend dat Bush in 2003 Irak binnenviel nadat Saddam Hoessein een foto aan tientallen wereldleiders had ge-sms’t, waarop Bush, met alleen een rood genopte zwembroek aan, op een hobbelpaard in een hoekje van The Oval Office een veel te dik met eiersalade belegde sandwich zit te eten.
Na dit nieuwtje besloten mijn vrienden en ik dus om geen foto’s meer van elkaar te maken. Bij wijze van afscheid haalde ik nog even de doos met die oude zwart-witportretten uit onze puberteit tevoorschijn. Ach, wat waren we schattig. Hé, daar had je D. J. van L. – lang niet gezien. Een leuke jongen was dat, indertijd. Hij had de opmerkelijke gewoonte zich twaalf keer per dag af te trekken, liggend op zijn bed, en daar gewoon mee door te gaan als er vrienden op bezoek waren. Na gedane zaken veegde hij zijn handen af aan de stapel lp-hoezen naast zijn bed, waarna meestal zijn moeder binnenkwam die klaaglijk uitriep: ‘Hè, getverdemme, D. J., en wie mag de boel hier weer schoonmaken?’ Dan haalde hij zijn schouders op, rookte een joint en schrokte een doos moorkoppen leeg, waarna het hele ritueel opnieuw begon. Ook hield hij tamme ratten in zijn flipperkast. Ik zie dat alles nog haarscherp voor me, al was op die oude foto alleen zijn gezicht te zien, vaag, zwart-wit, en met de verplichte weltschmerzuitdrukking. Het is maar goed dat we toen geen mobieltjes hadden. Maar eigenlijk toch ook wel een beetje jammer.