Worst
Dat akkefietje op 11/9 was natuurlijk sneu voor de Amerikanen, maar hun tegenmaatregelen zijn toch echt wat overdreven. Het ontgaat me hoe je een aanval van Al Qaida kunt voorkomen door mijn driejarig zoontje zijn minuscule rode gympjes bij de douane uit te laten trekken, en mijn flesje neusdruppels in een doorzichtig plastic zakje te stoppen.
Al even zinloos en bovendien vagelijk beledigend vind ik het dat zo’n achterdochtige douaan mij telkens bij aankomst op de luchthaven van Washington vraagt of ik ‘onlangs een boerderij heb bezocht’. Vorsend kijkt zo’n man daarbij naar mijn laarzen, of de mestkluiten er nog aan zitten. Zijn ze bang voor de gekkekoeienziekte? Die kwám toch juist uit Amerika? Maar het allervreemdste is wel het Amerikaanse douanebeleid inzake levensmiddelen. Om de een of andere reden zijn die lui als de dood voor onze vaderlandse vleeswaren. Zelf proppen ze de gemeenste worsten en vieze natte fopham met stapels tegelijk tussen hun veel te grote sandwiches. Maar de doortastende reiziger die een onschuldig rookworstje in zijn koffer meesmokkelt, kan bij ontdekking rekenen op gruwelijke represailles; ik zou niet eens weten wat precies, want van de dapperen die het geprobeerd hebben is nooit meer iets vernomen.
En ik houd juist zoveel van rookworst, dat wil zeggen, niet van de veel te zoute Unox-en Hemaproducten, maar van echte, lekkere worst. Hier in Washington is zoiets niet te krijgen. Doorgewinterde expats dienen bij de in den vreemde bereide stamppot iets op wat kielbasa heet, en van Poolse afstamming is. Het lijkt er niet op, eerder op palingworst en dat is natuurlijk heel wat anders.
Tijdens de kerstdagen in Nederland was niemand op het idee gekomen om een rookworst ter tafel te brengen, en ik had niet eens tijd gehad om mijn favoriete slager (Van den Broek in de Haagse Reinkenstraat) te bezoeken. Maar hij had wel aan mij gedacht, en hoe! De avond voor mijn terugreis stuurde hij een wederzijdse vriendin langs met drie van zijn kostelijke, maar verboden rookworsten. Ik kon ze natuurlijk niet achterlaten, het idéé. En om nou boven op al die kerstdiners drie forse rookworsten achter elkaar op te eten, aan de vooravond van een stellig turbulente vlucht... Ik rolde ze in de kamerjas van huisgenoot P. (dan kon ik hem de schuld geven) en stopte ze in de koffer. Om de douane op een dwaalspoor te brengen kocht ik op Schiphol ook nog wat hompen kaas. Dat laten ze toe, zij het niet van harte. Misschien zouden ze dan denken dat ik, met die toch al dubieuze kaas in mijn bagage, tenminste niet het gore lef zou hebben om ook nog zoiets schandelijks als worst in te voeren. In het vliegtuig zag ik vlak voor de landing een dikke man besmuikt een stuk salami eten. ‘Nu kan het nog,’ mompelde hij met volle mond. Ik hoorde mijn eigen hart bonken als in dat Edgar Allan Poe-verhaal. Fluisterend besprak ik met huisgenoot P. het worst-kaasscenario. Moesten we bij ontdekking alles glashard blijven ontkennen, of juist snikkend opbiechten?
Daar had je het al. ‘Hebt u levensmiddelen bij u?’ vroeg een klein, vals douaniertje. ‘Kaas,’ stamelde ik. Ik kon mijn worsten door de koffer heen ruiken. ‘Rauwmelkse kaas?’ drong hij geniepig aan. Ik schudde bleekjes mijn hoofd. ‘U hebt geen vleesproducten bij u?’ Mijn knieën knikten, maar huisgenoot P. riep galmend ‘neen!’ door de spookachtige aankomsthal. De douaan wuifde met zijn handje en we waren erdoor.
De kinderen, die in het complot waren betrokken, begonnen gesmoord te juichen en alvast de verdeling van de worst te bespreken. Maar daar komt niets van in. Het zijn míjn worsten. Eentje ligt nu aangesneden voor me, op een mooi eiken plankje. Ik neem er heel kleine hapjes van. De andere twee liggen in de vriezer. Als Bin Laden eindelijk gepakt is, zal ik ze ontdooien. Hopelijk zullen tegen die tijd ook de Amerikanen ontdooien, om de wereld vrij te maken voor democratie én Hollandse rookworst.