Ruiken
Door een hardnekkige verkoudheid ben ik nu al weken mijn reukvermogen kwijt. Wie niet zien kan is blind, wie niet horen kan doof, maar deze handicap is niet erg genoeg voor een eigen woord. Toch is mijn leven nog een stuk ingewikkelder geworden dan het al was. Ik heb voorheen nooit speciaal over mijn neus nagedacht, en er gewoon maar zo’n beetje mee rondgeroken. Pas nu hij het niet meer doet, realiseer ik me wat een goede neus hij was.
Ik kon aan een bradend stuk vlees precies ruiken hoe gaar het was, raadde op meters afstand in welk rugzakje die vermolmde boterham met eiersalade zat ondergedoken, en wist blindelings van kledingstukken de eigenaar aan te wijzen. Ik herkende dat een kind ziek ging worden, en dan niet aan de opdringerige roquefortlucht van een verkouden bekje, ja, dat is wel héél makkelijk, maar ergens in de glooiing van de kinderhals onderschept een goed verstaander het naderend onheil een volle dag vóór het kind zelf iets doorheeft, en koorts of snot daadwerkelijk toeslaan. Zoiets kan heel handig zijn, in verband met het annuleren van geplande activiteiten: je voorkomt bijvoorbeeld het beruchte afreizen om half drie ’s nachts naar verre buitenwijken om een ijlende kleuter in een ondergekotst pyjamaatje weg te slepen van een logeerpartij.
Zelf verzette ik me als kind tot het uiterste tegen logeren, maar soms bleek het onvermijdelijk. Dan nam ik een stukje van onze eigen zeep mee, om in dat enge vreemde bed aan te ruiken, tegen de heimwee. Als je echt hard ging huilen kwam er immers zo’n troostende tante of buurvrouw de trap op, en die rook al helemáál verkeerd, naar rotte tanden bijvoorbeeld, uienzweet, of juist naar goedbedoeld maar naargeestig reukwater, waardoor alles nog erger werd. Bij andere mensen in huis hingen altijd de verkeerde geuren; van een scherp schoonmaakmiddel, herhaaldelijk opgewarmde kapucijners, zure dweiltjes of hyacinten, de afschuwelijkste bloemen die ik ooit geroken heb. Hoe houden die mensen het hier uit, dacht ik dan, vol ademstokkend verlangen naar mijn eigen huis, met zijn geruststellend geurenpalet van warme stopverf, sissend strijkgoed, ceylonthee, tuinkers en mandarijnenschillen.
In de logeerkamer van mijn oma daarentegen waarden de geesten rond van generaties mottenballen, vochtig raamkozijn, dode muis, gestold spekvet en onzindelijke kindertjes. Tegen zo veel olfactorische rampspoed was mijn Maja-zeepje niet opgewassen: dan rende ik snikkend terug naar beneden en wierp me aan de borst van mijn oma. Daar rook het lekker naar haar parfum (Ma Griffe) en ook een beetje naar oude mensen, een onschuldige lauwe wasem van belegen talg, als zachtgeworden kaaskoekjes in een broodtrommel. Ik zou haar graag nog eens willen ruiken, net als het interieur van een Aeroflot-vliegtuig (Dettol, knoflook, oude peukjes en gesmoorde zuurkool), of de vacht van mijn oude witte kater, die precies zo rook als katten horen te ruiken: naar pasgestoomde dekens, zoals W. F. Hermans terecht beschreef.
Of een havenstad, die overal ter wereld, van Rotterdam tot Vladivostok, een zelfde mistige damp ademt van teer, vis, zee, stoom, zeildoek. ‘De gemengde wierook van maritieme eenzaamheid’, volgens Gerard Reve. De cacaofabriek die zijn zoete adem blies over het Haarlem van mijn jeugd. Of stoofperen, roosterend lamsvlees, pernod, kippensoep, marsepein, gehakte peterselie, beschuit met aardbeien. Boeken natuurlijk ook, oude en nieuwe. Wijn. Of dat je op een zachte avond langs een café loopt waarvan de deur opengaat en dat er dan zo’n heerlijke vlaag van sigarettenrook, vers bier en opgewonden mensenvlees naar buiten komt, die alle eventuele goede voornemens doet verdampen als sneeuw voor de zon.
Ach ja, dus ook: de schrille hoofdpijngeur van verse sneeuw, en het roesverwekkend aroma van iemand die in de zon heeft gelegen, liefst met een klein beetje goedkope kokoszonnebrandolie.
Of desnoods zelfs iets smerigs: wanhopig steek ik mijn neus in vuilnisbakken, ga in de tram naast aangekoekte zwervers zitten, en hang snuivend rond bij urinoirs en slecht beklante haringstalletjes. Niets. Om me heen wordt het eindelijk lente. Maar ik ruik niets, helemaal niets.