Cleaning service
Ik hoop nu al zeker vijftien jaar dat huisgenoot P. de rotzooi in huis wel zal opruimen, en huisgenoot P. hoopt op zijn beurt van mij al vijftien jaar hetzelfde. Er blijft dus nogal wat liggen, want een béétje huishouden vergt een wurgende reeks dagelijks terugkerende handelingen, die een normaal mens stuk voor stuk kreunend van weerzin het strijdtoneel doen verlaten, om elders iets écht belangrijks te gaan doen, bijvoorbeeld een vogelhuisje kopen of een extra grote light frappuccino drinken bij de plaatselijke Starbucks.
Het is hier dus meestal een bende. Wat wel een beetje helpt, is dat we altijd een stofzuiger in het midden van de kamer paraat hebben staan. Als er dan onverhoopt iemand langskomt in de puingruwel, kunnen we doen alsof we net wilden gaan stofzuigen. Nog zo’n nuttige tip: koop een grote, stevige emmer met ingebouwde wringer. Als je die omkeert en erop gaat staan, kun je makkelijk bij de plafondlamp om de niets verhullende 75-wattpeer te vervangen door een genadig zachtroze 15-wattexemplaar.
Een derde oplossing is natuurlijk: een schoonmaakster inschakelen. Het probleem is dat ik me jegens schoonmaaksters altijd een beetje schuldig voel. Ik durf er daarom nooit iets van te zeggen als zo iemand op de onhandigste momenten niet komt opdagen, anderhalf uur doorbetaald oude Donald Ducks gaat liggen lezen in een berg strijkgoed, of een nog bijna volle fles zwartebessenlikeur laat leegklotsen in de piano. Maar véél erger is het nog als zo iemand een lieve, schommelige, alleenstaande dame op leeftijd is, die als een moeder voor mij is, en als een oma voor mijn kinderen, en dat ik dan weer eens ga verhuizen naar een ander land en dat dat dan voor alle partijen zó vreselijk is dat je overweegt haar gewoon maar mee te nemen. Als ik niet op cruciale momenten krachtig had ingegrepen, had ik nu in het permanente gezelschap geleefd van zowel Galya als Krisztyna als Donna, die elkaar stellig voortdurend te lijf zouden zijn gegaan met kletsnatte zwabbers en bussen ovenspray, uit nijd. Intussen vallen hier dagelijks foldertjes in de bus met opruiende teksten als: ‘Life’s too short to clean your own house!’ Even vroeg ik me af: als het leven te kort is om je eigen huis schoon te maken, is het dan niet al helemáál te kort om iemand anders huis schoon te maken?
Na enig zelfonderzoek besloot ik dat het antwoord ‘nee’ was, temeer daar ik een bedrijfje vond, Lily’s Cleaning Service geheten, dat zijn medewerksters in telkens wisselend teamverband langsstuurt, met vier tegelijk, voorzien van deugdelijke pensioenfondsen, zwangerschaps- en ziekteverlof, kekke uniformpjes en eigen schoonmaakspullen. Wat mij niet alleen zou ontlasten van eventueel schuldgevoel of verwarrende oprispingen van genegenheid, maar ook van dat gesleep met flessen Jif en ingewikkeld geïmpregneerde wegwerpsponzen, want zelf doe ik elk dringend klusje gewoon met Glassex – inclusief Happy Meal-kots op de achterbank of divankussens waar kaasfondue aan zit.
Ik verheugde me uitgebreid op de cleaning service, maar er viel nog wel een enkel hindernisje te nemen, want Lily zélf zou langskomen voor een prijsopgave, en ik durfde haar niet zomaar met onze ware aard te confronteren. Dus was ik een heel weekend bezig het huis te ontdoen van de ergste aanslibsels, bracht korstige gordijnen naar de stomerij en zoog dode sprinkhanen uit de plinten. Lily kwam, en was niet tevreden. ‘U moet wel eerst opruimen, anders kunnen mijn meisjes niet aan de slag,’ sprak ze streng. Dus stouwde ik wankele stapels boeken in vers bij ikea gehaalde Billy’s, gooide vijftien vuilniszakken nooit gebruikt speelgoed weg, veegde natte theezakjes van het aanrecht en hing vestjes aan knaapjes. Ik zweette als een oud paard in de laaiende nazomerhitte, maar het huis was onberispelijk. Er hoefde eigenlijk alleen nog even gedweild te worden.
Nou, en ik moet Lily’s meisjes nageven: dat deden ze met zijn vieren dan ook in een uurtje. Goed, het kostte honderd euro. Maar dat had ik er best voor over. Ik kon tenslotte eindelijk weer eens trots zijn op mezelf.