‘R’
Ik weet helaas nog goed dat ik voor het eerst mijn eigen stem hoorde. Mijn vader had een bandrecorder, waarmee hij onze kinderstemmen aan de vergetelheid ontrukte, op de schaarse momenten dat hij dronken genoeg was om daar aardigheid in te hebben, maar nog niet zo lazarus dat hij onbekwaam werd in het hanteren van de apparatuur. Braaf giechelde ik een gedichtje van Annie M. G. Schmidt in de microfoon. Het afgespeelde resultaat was een klap in mijn gezicht. Wat een verschrikkelijk stemgeluid! Nasaal, pieperig, bekakt, onuitstaanbaar. Ik was nog klein, maar ik begreep dat mijn leven verder geen zin had.
Die vreselijke Kennemer ‘r’ had ik te danken aan het Overveense schooltje, waar ik dan ook dagelijks huilend vandaan kwam. Het is geeneens een echte ‘r’, meer een soort ‘w’, ook te beluisteren in de vroege opnamen van ‘Kindewen voow kindewen’. Ik groeide met tegenzin op, en luisterde afgunstig naar de ronkende radiostemmen van Meta de Vries, Frits Spits en Lex Harding. Mazzelaars.
Ik zat er intussen maar mooi mee, want op het Haarlems Gymnasium probeerde ik juist met veel ellebogenwerk, likken naar boven en trappen naar onder, door te dringen tot een gebenedijd groepje nihilistische cynici, stuk voor stuk kinderen van orthodontisten en juristen, die tussen twee skivakanties door hun bourgeois-komaf probeerden te verhullen achter zo lijzig en plat mogelijk uitgesproken schuttingtaal.
En daar kwam ik aanzetten, met die verdachte ‘r’ waar ik zo snel mogelijk van af moest.
Hoe deden die anderen dat? Een van die jongens was wel eens in Amsterdam geweest, had daar kennelijk zijn oren goed opengehouden, en zich, waarschijnlijk met veel oefenen voor de spiegel, een hoofdstedelijk volksaccent aangemeten. Koortsachtig probeerde ik dat van hem over te nemen, en ik bracht het werkelijk een heel eind, maar die ‘r’ bleef in de weg zitten. ‘Kut’ en tyfus’ kwam er na enig volhouden geloofwaardig uit, maar met ‘kanker’ en ‘godverdomme’ bleef het behelpen. Op mijn zeventiende verhuisde ik daarom zelf maar naar Amsterdam. Helaas bleek er aan de faculteit Neerlandistiek niemand plat Amsterdams te praten. Mijn medestudenten al helemaal niet: half Kennemerland hing daar rond, een enkele Twent of Groninger had je er wel bij, en die wilden allemaal zo snel mogelijk van hun eigen rotgeluid af.
Toen verhuisde ik naar Rusland. En daar bleken ze toch een ‘r’ te hebben! Het leek wel of de complete bevolking les had gehad van Ko van Dijk. De taal zelf leerde ik vrij behendig, maar van die ‘r’ zonk de moed me in de schoenen. In Rusland gebeurde intussen van alles dat journalistieke aandacht behoefde, en omdat er nauwelijks Nederlanders zaten werd ik, ironie van het noodlot, gevraagd als verslaggever voor een Hilversumse radio-omroep. Ze konden niks beters krijgen, het betaalde goed, en een ander voordeel was dat ik de uitzending van mijn nasaal gekakel zelf niet hoefde te horen.
Maar andere mensen dus wél. Al na een paar weken belde zo’n bronsgevooisde dj, die me uitnodigde om naar Hilversum te komen, voor enige spraaktraining.
‘Vrouwenstemmen zijn toch al meestal niet om aan te horen, maar die van jou slaat alles,’ sprak hij – met die stem. Hij klonk als een forsgeschapen gladiator met hoekige kaaklijn, maar bleek bij de ontmoeting onder de Gooise tl-buizen een klein, roze mannetje met een vochtig wipneusje en glimmende plofwangen. Ook hij kreeg mijn ‘r’ trouwens niet weg, en ik moest mijn carrièremogelijkheden ingrijpend herzien.
Ik verhuisde naar Berlijn. Hebt u wel eens gehoord hoe Duitsers de ‘r’ uitspreken? Precies. Ze bleven daar zes jaar vragen of ik soms verkouden was. Ten einde raad vertrok ik naar Amerika. En daar kwam alles toch nog goed. ‘Zit je hier echt pas twee maanden?’ zeggen de Amerikanen verbaasd. ‘En je hebt helemaal geen accent!’
Mijn ‘r’ is eindelijk thuisgekomen. Nu ik nog.