Eddie
Het gemiddelde kinderrijke huishouden herbergt, meestal niet van harte, tussen de tachtig en tweehonderd knuffeldieren. Niemand is zo gek om die pluchen uitvreters zelf aan te schaffen. Dat doet het kraambezoek. In plaats van een versterkende fles whisky voor de jonge moeder slepen ze veel te gele giraffen, rancuneus kijkende beren of lijzige leguanen uw intieme privésfeer binnen, en maken zich na een haastige beschuit met muisjes uit de voeten, met achterlating van hun wangeschenk.
Zo’n pasgeboren baby’tje zit niet verlegen om een groot zacht beest, want hij heeft zijn móéder toch al? En als kinderen veel later op de leeftijd komen dat ze affectie kwijt willen aan een onbezielde homp gewatteerd textiel, zijn ze daar trouwens heel specifiek in: de keus valt nooit op zo’n Max Havelaar-ezel of smaakvol grachtengordeldiertje, maar bijvoorbeeld wel op een vilten kuiken dat gratis bij twee dozen eieren zat en waarvan na anderhalf uur alle naden loslaten, een pollepel met een zelfgebreid mutsje, of een op de kermis gewonnen roze nylon varken ter grootte van Arnold Schwarzenegger.
Mijn dochter bezweek rond haar tweede verjaardag voor een wollen lammetje uit de ook al puilende voorraad van haar neven en nichten. Ze mocht hem meenemen, graag zelfs. Lammie, zoals ze hem noemde, heeft een gelaatsuitdrukking alsof hij, vastgebonden in een stoel, noodgedwongen uit het raam moet toezien hoe iemand zijn fiets aan het jatten is. Mijn dochter zag daar geen been in. En een liefde voor het leven was geboren. Maar, pour un plaisir, mille douleurs, zoals de Fransen dat zo puntig weten te zeggen. Lammie is nogal onbeduidend van gestalte en nam, geholpen door zijn morsige tafelmanieren, algauw een schutkleur aan die hem in vrijwel elke omgeving zo goed als onzichtbaar maakt.
Een perceeltje bosgrond, bijvoorbeeld, diverse internationale hotellobby’s uit de b-klasse, of met speelgoed afgeladen kinderkamers van gelijkgestemde gezinnen: Lammie is er seconden na aankomst spoorloos verdwenen. Tientallen keren heb ik stampvolle garderobekasten van wildvreemden overhoop gehaald, bij nacht en vrieskou met zaklampen verlaten spoorwegemplacementen afgespeurd en snauwende eigenaars van Franse vakantiehuisjes achternagebeld of ze soms een petit mouton blanc hadden gevonden en zo ja, of ze dat misschien poste restante naar het hoofdpostkantoor van weer een ánder gehucht wilden opsturen, terwijl mijn dochter naast mij stond te loeien dat Lammie vast zou stikken in die postzak. Tot overmaat van ramp is Lammie een unicum: ik heb nog nergens iemand gevonden die zelfs maar op hem líjkt.
Intussen graaide mijn jongste zoontje, voorheen knuffelloos, onlangs bij ikea in Delft een bonafide teddybeertje uit een bak. Eddie. Ook Eddie reist sindsdien overal mee naartoe, in de capuchon van zijn baasjes jas. Ik begon mijn hart alweer vast te houden, want zo’n capuchon heeft geen veiligheidsgordels. Bovendien waren we sinds Eddies aanschaf verhuisd naar Amerika, lichtjaren verwijderd van ikea Delft. Maar deze week zag ik op de snelweg even ten zuiden van New York zo’n geel-blauwe bunker staan. Toch even stoppen en kijken: verdomd!
Thuis trok mijn zoontje nieuwsgierig mijn tas open en zag tot zijn verbijstering vijf Eddies. Met open mond keek hij van de al wat afgekloven proto-Eddie op zijn schoot naar die kluwen frisse klonen, witte etiketjes vastgestikt in evenzovele pluchen bilnaadjes. Gelukkig bekwam hij gauw van de schok en begon hij de Eddies strategisch over huis, schuur, en jaszakken te verdelen, als betrof het reservehuissleutels. Ik kreeg gruwelijke wroeging over mijn aanschaf. Hoe moest het nou als mijn zoon later zou trouwen met een vrouw die géén onderdeel uitmaakte van een eeneiige vijfling? Maar toen ik de etiketjes van de berenkontjes wilde afknippen, hield hij me tegen. ‘Nee, laat maar. Zo kan ik zien wie de échte is,’ sprak hij gedecideerd. Er is hoop.