Eccky
De oude dag komt met gebreken. Zo denkt mijn vader dat hij zijn mailtjes naar het buitenland vooral kort moet houden, omdat die natuurlijk een stuk duurder zijn dan binnenlandse. En mijn moeder waarschuwt me voor mijn nieuwe woonplaats Washington: in Amerika zal het er op internet immers wel een stuk smeriger aan toe gaan dan bij ons!
‘En het is híér al zo erg,’ klaagde ze toen mijn hoongelach wat was weggeëbd. Verontwaardigd vertelde ze hoe een vriendin haar jonge kleinkinderen argeloos voor de computer had gezet, in de prettige wetenschap dat de kleintjes zich vermaakten met een vrolijk tekenfilmpje. Toen het grut opeens wel érg stil werd, ging ze toch maar eens kijken: op het scherm werd Spongebob deskundig en uitgebreid gepijpt door zijn roze zeestermakkertje Patrick, een aangrijpend tafereeltje waarbij de kleuters bezorgd toekeken.
Het verbaast me niks – ik had die kirrende weekdieren al láng door – maar die arme kleintjes hebben het schouwspel waarschijnlijk wel even moeten verwerken.
Mijn eigen kinderen intussen dwalen rond op internet met een enthousiasme dat grenst aan religieuze vervoering. Tot voor kort was dat nogal hinderlijk, want wij deelden hier met zijn allen één pc, namelijk de mijne. In een hinderlaag wachtten ze dan voor de deur van mijn werkhok, om naar binnen te duiken zodra ik even naar de plee ging. Zelfs heeft mijn negenjarige dochter wel eens mijn mobieltje op zolder verstopt, en mij vervolgens opgebeld, zodat ik lekker lang zoeken had. Bij terugkeer vond ik haar zoals gebruikelijk op msn, chattend met een van de vele vriendinnetjes die ze op school óók al de hele dag gesproken had. Tenminste, dat hoopte ik maar: je weet tenslotte nooit wie er achter de brave nickname ‘Sophietje98’ schuilgaat: dat kan net zo goed een ploeg satanisch bulderende Hell’s Angels wezen, een inventieve kettingzaagslachter in spe, of gewoon een vieze oude man die net zo lang zoete leugens verkoopt tot mijn kind haar non-existente tietjes laat zien voor de webcam.
Hoewel zo’n man dan toch eerst wel menige hindernis zal moeten nemen: mijn dochters favoriete tijdverdrijf bestaat in het verzorgen van een virtuele baby, Eccky geheten, een proces dat weliswaar in het niet valt bij de opvoeding van een échte baby (uit de handleiding: ‘Na zes dagen is Eccky 18 jaar, en kun je zien hoe je gescoord hebt in vergelijking met andere ouders. Ook kun je dan een nieuwe Eccky maken om jezelf te verbeteren!’) maar toch wel degelijk uren getut en gekeuvel vereist, iets waarvoor een zwaar ademende serieverkrachter op de rand van bevrediging misschien niet helemaal het geduld kan opbrengen.
Al met al was mijn kantoortje voortdurend bevolkt door kinderen, virtuele en reële, waarbij de laatste ook nog smeltende ijsjes op mijn toetsenbord lieten druipen. En mijn balorige jongste zoontje, door zijn zus verwaarloosd ten gunste van zo’n ellendige Eccky, zat bovendien op mijn bureau onophoudelijk op een schel mondharmonicaatje te blazen. Toen ik met zachte hand probeerde iedereen naar buiten te duwen begon mijn dochter te huilen: ‘Als ik om halfvier niet op msn ben, sterft Eccky van verdriet!’
Dit werd te gek. Zoals iedere verstandige moeder begreep ik wat mij te doen stond: ik trok voorgoed de deur van mijn kantoor achter me dicht, kocht een laptopje en trok me daarmee terug in de keuken. Heerlijk rustig, maar helaas kreeg mijn nieuwe speeltje daar geen verbinding met internet. In alle andere kamers van het huis trouwens ook niet. Met de moed der wanhoop begaf ik me met het ding, plus een klapstoel, de straat op: in Sex and the City deden ze zulke dingen tenslotte ook. Na enig zoeken vond ik inderdaad een plekje aan de gracht waar ik verbinding kreeg. Daar zit ik nu regelmatig te surfen en mailen, in de motregen tussen de geparkeerde auto’s, achterdochtige passanten en smeuïge hondendrollen. Dat Spongebob-pornofilmpje kan ik trouwens nergens vinden. Misschien willen mijn kinderen het eens voor me opzoeken, als ik het héél lief vraag.