Matras
Je brengt jaren van je leven door met het zoeken naar dingen die kwijt zijn, maar de dingen waar je juist wél van af wilt, blijven gemelijk aan je huishouden kleven tot in het einde der tijden. Kostbaar tafelzilver, kalfslederen laarsjes en porseleinen serviezen vallen ten prooi aan een malafide huisgeest of ergens in het geheim genestelde ekster, zo niet het gele plastic lepeltje dat ik negen jaar geleden bij een potje Olvarit cadeau kreeg en dat nu, vier verhuizingen later, nog steeds kromgetrokken en verschoten mijn bestekbak ontsiert. Of de kotskleurige asbak, geërfd van een oom die jong stierf, waar dertig jaar later nog geen scherfje af is. Ik heb hem zelfs al eens bij het vuilnis gezet, maar toen kwamen de buren hem terugbrengen, omdat het ‘toch zonde’ was. Of het paar poepbruine kniekousen, met groen ingebreid motiefje van rugbyspelers, dat ik in de late twintigste eeuw eens kocht op een voddenmarkt in het Russische plaatsje Tsjornogrjaz, omdat ik zulke koude handen had, en ze hadden daar geen wanten, maar met sokken gaat het ook best, diezelfde sokken dus, die zag ik laatst terug aan de voeten van mijn jongste zoontje, want van alle andere sokken was er nog maar één, zoals het normale sokken betaamt. En dat zijn dan nog kleine dingen, maar het kan veel erger.
Onlangs moest ik een heleboel elektrische apparaten kwijt, wegens verhuizing naar het verre Amerika: daar hebben ze rare stopcontacten, die geen Europese stekkers lusten. Ik stalde mijn aldus overbodig geworden huisraad netjes uit en ontbood vrienden en familie om gratis naar hartenlust een keuze te maken uit televisietoestellen, keukenmachines, stofzuigers en stereotorens. Pas na herhaald aandringen arriveerde één lijzig neefje, een achttienjarige student, die met opgetrokken neus uit de berg welvaartsproducten een gloednieuwe mobiele telefoon tevoorschijn viste en zuchtte: ‘Nou, misschien heeft mijn zusje van zeven hier nog wat aan’, waarna hij geërgerd in een taxi stapte.
Zelf had ik als student geen telefoon, zelfs geen standaard grijs ziekenfondsmodel. Afgezien van die asbak had ik eigenlijk haast niets. Ik sliep op een bultige met kapok gevulde matras waarop al diverse generaties oudtantes na vele bedlegerige jaren rochelend gecrepeerd waren. Voorts bezat ik één onderlaken, dat ik tevens gebruikte voor allerlei hygiënische maatregelen die ik hier onvermeld zal laten. Het ding zag er in elk geval uit als de lijkwade van Turijn. Voor zoiets intens burgerlijks als schoon beddengoed moest je afreizen naar je ouderlijk huis in de provincie, iets wat ik zoveel mogelijk beperkte, want het onderhouden van vriendschappelijke betrekkingen met je ouders was toentertijd een extreme noodmaatregel, uitsluitend toe te passen bij dreigende verhongering. Zo ver hoefde het meestal niet te komen. Je kreeg toen immers voor vijf gulden al een halve meter Saksische leverworst, plus een heel gesneden volkoren en een pakje Samson met twee rode Rizla. In nijpende gevallen kon je een paar lege bierflessen terugbrengen naar de supermarkt. De opbrengst was meestal voldoende voor een pak B-merk elleboogjesmacaroni, die zich vooral ’s nachts na enig cafébezoek tot een hartige maaltijd liet verwerken met behulp van wat fijngesnipperde uien en een scheut Maggi. Als ik verhuisde, wat nogal eens voorkwam wegens schimmige huurcontracten en onbetaalde maandlasten, dan wekte ik twee vrienden, die meestal toch al ergens op mijn vloer lagen. Die sleepten mijn matras dan op hun schouders naar het nieuwe adres, terwijl ik er met de rest van mijn bezittingen in een groen uitgeslagen canvas tasje (drie onderbroeken, twee t-shirts, de asbak, en een geleend stripboek van Kamagurka vol Maggi-vlekken) achteraan slofte.
Mooie tijden, zou je kunnen zeggen, maar dat waren het natuurlijk helemaal niet, want ik had geeneens telefoon, en mijn haar zat altijd heel raar. Zeker, overzichtelijk was het leven wel. Dat ging later over. Maar die matras heb ik nog steeds.