Luis
Mijn kinderen brengen dagelijks uit school heel wat meer mee naar huis dan ze die ochtend bij zich hadden. Een vochtige, reeds licht beschimmelde zwembroek van een kind uit een andere groep bijvoorbeeld, twaalf postelastieken en een grote, grauwe rol papier, die een nog kleverig landschapje, giraffe of zelfportret van plakkaatverf blijkt te bevatten, waarvan het residu zich tevens aan schoenen, mouwen en capuchons heeft gehecht. Ook geven de leerkrachten vaak brieven mee, die de kinderen geacht worden aan hun ouders/verzorgers te overhandigen. Dat doen ze niet. Ze laten die dingen in die tas tot hun moeder ze opdelft. (Níét hun vader. Zelfs de meest betrokken, slechts drie-dagen-flexwerkende, kinderschoenen-in-de-juiste-maat-kopende, pannenkoeken bakkende, zelfstrijkende vader zal nóóit een blik in het schoolrugzakje werpen, al kon hij zijn leven ermee redden.)
Héél af en toe haal ik dus die tassen leeg, en tref dan bijvoorbeeld de partituur van een schoolreisje (‘graag regenkleding mee, liever geen zoetigheid, wij zijn nog op zoek naar ouders die ons willen begeleiden!’), een aanmaning ter betaling van de schoolfoto’s en een smeekbede om veertien konijnenpakjes te naaien voor een musical die plaatsvond in april. Net als dat schoolreisje trouwens, waarbij ik, nu ik erover nadenk, me beslist niet beschikbaar heb gesteld als begeleider, en zeker ook geen regenkleding heb meegegeven, maar wel een grote zak van het gemeenste, hardroze snoep.
De laatste brief bleek, goddank, van gisteren: ‘Bij uw kind is hoofdluis geconstateerd.’ Om mij heen werd alles zwart, de vrolijke kinderstemmen in het halletje veranderden in dreunend gegalm en ik zag mijn leven aan mij voorbijtrekken.
De Luizenbrief! Nooit eerder hadden mijn kinderen luizen, een wonder dat ik met achteloze hybris afdeed als bewijs dat overdreven hygiëne zinloos was, ja zelfs averechts kon werken. Maar nu was het míjn beurt. Afschuwelijke verhalen had ik gehoord van collega-moeders, die maandenlang dagelijks al het beddengoed wasten op tweehonderd graden en het hele gezin inclusief poes, goudvis en 94 teddyberen te lijf gingen met ddt, Agent Orange of andere enge middeltjes uit flesjes waarop ten overvloede een plaatje van een decimeters groot, grijnzend insect stond afgedrukt, compleet met idioot veel harige poten. Die maatregelen hadden meestal als enig resultaat dat de hoeveelheid luizen verdubbelde. Ik herinner me gezinnen waarin de plaag na een jaar nog niet uitgeroeid was, de moeders uiteindelijk zwaar onder de valium in de ziektewet terechtkwamen of gewoon maar hun baan opzegden omdat ze anders niet de tijd vonden om voortdurend hun kinderen kaal te scheren, de hoezen van de autostoelen te laten stomen, het voltallige meubilair in plastic te verpakken en hun arme stakkers te troosten die nergens meer mochten komen spelen en slechts op school werden toegelaten voorzien van een grauwe puntkap en een ratel in de hand.
Misschien was het nog niet te laat. Ik haalde bij de apotheek een luizenkam plus een fles gif, kleedde mijn kinderen uit en ging aan de slag. De walm van dat spul deed ons bijna braken, en de kam trok pijnlijk aan het lange, dichte haar van mijn dochtertje. De oogst op drie koppen bedroeg in totaal één luis. Een dode. Maar in mijn panische angst besloot ik toch de rest van het luizenverdelgparcours te volgen: zuigen, kloppen, wassen draaien en knuffeldieren in het vriesvak stoppen – een draconische maatregel die goed schijnt te helpen. Mijn dochter stond betraand toe te kijken hoe haar Lammetje in dat ijzige graf verdween, en naaide nog gauw een slaapzakje voor hem, opdat hij het niet koud zou krijgen.
Toen kwam mijn moeder. Ze bekeek de dode luis en beweerde bij hoog en bij laag dat het een mier was. Of anders een broodkruimel. Het was in ieder geval uitgesloten dat háár kleinkinderen hoofdluis hadden. Ze kamde ze nog eens na, inderdaad, niks meer te vinden. Ik haalde opgelucht adem, en trok een fles wijn open. En toen begon het plotseling op mijn eigen kop verschrikkelijk te jeuken.