T-shirt
Ik leefde ruim veertig jaar in de stellige overtuiging dat het dragen van t-shirts met opschriften voorbehouden was aan bachelorpartygangers, knetterstonede toeristen en baby’s, maar in Amerika heb ik die opvatting ingrijpend moeten herzien. Iedereen draagt hier t-shirts met opschriften, behalve de president. Trouwens, misschien sluipt die ook wel stiekem ’s nachts rond door zijn oval office in een pyjama waarop staat: ik ben lekker president en jullie lekker niet (maar dan natuurlijk in het Engels).
De rest van deze dappere natie doet het gewoon openlijk. Dit is een vrij land, iedereen mag zeggen wat hij wil, en omdat het niet haalbaar is om op straat voortdurend wildvreemden aan te klampen en hardop je mening te verkondigen, gebruiken ze daar hun t-shirt voor.
Vaak zijn het onschadelijke teksten. Je ziet pafferige studentes met save the earth, it’s the only planet with chocolate, slungelige pubers met you looked better on myspace en kleuters met yes wii can, vergezeld van een plaatje van Obama als Wii-poppetje. Maar je hebt er ook verontrustende gevallen bij: een boomlange neger met het opschrift white people make me nervous, of een vijftienjarig meisje met groene lippenstift en de tekst i kill anything i fuck. Ik denk in zo’n geval met medeleven aan haar moeder, en houd intussen mijn hart vast, want mijn eigen elfjarige dochter heeft sinds kort zwarte nagellak en een paarse lok in haar haar en je weet maar nooit welke kant zoiets uit gaat. Trouwens, mijn vierjarig zoontje bezit een t-shirt met twee pistolen erop en de prachtige songtekst van Johnny Cash: i shot a man in reno, just to watch him die. Ik kocht dat ooit voor hem om wat tegenwicht te bieden aan zijn overdreven schattige voorkomen, maar hij mag het nooit aan van huisgenoot P. – daar hebben we nog steeds af en toe ruzie over.
Ook gezellig is een vijftigjarig betonvlechterstype in afzakkende spijkerbroek met bilspleetdecolleté en op zijn bierbuik de tekst show me your tits: de kans op enthousiaste respons van passanten lijkt me in zijn geval gering, behalve misschien in een stripclub, tegen aanmerkelijke financiële vergoeding. Trouwens, over tieten gesproken: er is hier onderhand zowat geen kledingstuk of ander product meer te koop dat niet op de een of andere manier bijdraagt aan borstkankerbestrijding. Je hebt borstkankervestjes, chips, glossybladen, viltstiften, beddengoed, sieraden, wijn en weet ik wat al niet meer. Dat is op zich heel mooi, want wie is er nou niet tegen borstkanker? Het probleem is alleen: die antiborstkankerproducten zijn meestal roze gekleurd, en dat geeft op de een of andere manier nogal akelige associaties. Vooral in het geval van borstkanker-m&m’s (met pinda’s): ik voel altijd een vage afkeer van die glimmend roze knobbels, alsof ik een zakje gezwellen zit leeg te eten. Die borstkanker-t-shirts zitten overigens lekker, dus loop ik er regelmatig in rond. Nu maar hopen dat de borstkanker daarvan schrikt en zich bij de aanblik uit de voeten maakt.
Verder zijn er ook een hoop religieuze t-shirts in omloop: jesus is my homeboy, bijvoorbeeld, of kiss me i’m a mormon (mormonen hebben wel echt een ongehoord krankzinnig geloof, waar een bepaald soort ingewikkeld ondergoed aan te pas komt, en een heilige die Joseph Smith heet), maar je ziet ook shirts met een jodenster erop, of het alomtegenwoordige christelijke visje. Nee, dan zijn de antigelovige opschriften leuker. Datzelfde visje, maar dan voorzien van pootjes, en de tekst darwin. Of: everytime you masturbate, god kills a kitten. Of: jesus loves you. everyone else thinks you’re an asshole. Toch zou ik voor geen goud met een opschrift rondlopen. Al twijfel ik bij een t-shirt dat ik gisteren zag: it seemed like such a good idea at the time. Verder niets. Wát leek er indertijd zo’n goed idee? En waarom dan nu niet meer? Van alles en nog wat, lijkt me, het ene nog rampzaliger dan het andere. Ik wil dat t-shirt hebben.