Poes
Mijn oude kater is alweer vijf jaar dood, en een nieuwe was er niet van gekomen. Sinds ik bovendien een jaar of twee geleden met behulp van een dronken buurvrouw en vier ovenhandschoenen bij nacht en ontij mijn twee zogenaamd tamme, maar in werkelijkheid stapelkrankzinnige ratten heimelijk het erf van een Haagse kinderboerderij op schoof, heb ik elke oprisping van dierenliefde moeiteloos weten te onderdrukken.
Maar onlangs begon het toch weer te knagen. Muizen dus, die er in mijn provisiekast hele pakken Oreo’s doorheen bleken te jagen. En ik blééf maar bij elk uit de ooghoek waargenomen kussentje of opgevouwen trui tegen beter weten in hopen dat daar een slapende poes lag.
Ook vielen er alsmaar folders in de bus van het plaatselijke dierenasiel, met meeslepende foto’s, vergezeld van teksten als: ‘Deze schatjes worden over vier dagen vergast als niemand ze ophaalt.’ Dus ik erheen, met mijn hele gezin in een gloed van liefdadigheid.
Uit die overvloed aan zielige dieren was de keus niet eenvoudig, maar we besloten uiteindelijk tot twee pluizige grijze zusjes, blijkens het bijgaand opschrift Melody en Merle geheten. ‘Doet u me die maar,’ zei ik tegen de cipier, een lila vrouw met een Elton John-bril en een figuur als een druipkaars.
‘Dat gaat zomaar niet,’ sprak ze geschokt. ‘Eerst moet u een schriftelijke aanvraag indienen voor adoptie. Als u bent goedgekeurd, en dat duurt zeker een week, betaalt u 150 dollar per dier. Dan pas mag u ze meenemen.’
Een hele domper natuurlijk, want mijn kinderen stonden daar al met een tas vol dekentjes, brokjes en opwindmuizen klaar om de poesjes in hun armen te sluiten. Wij zijn trouwens een duidelijk geval van aardige mensen die geen katten uit een asiel halen om ze vervolgens satanisch grinnikend naar de vivisectie door te sluizen, en ik was óók best bereid ter plekke driehonderd dollar neer te tellen voor twee diertjes waarbij je normaliter geld toe krijgt.
Maar ik heb in het afgelopen jaar wel geleerd dat de Amerikaanse bureaucratie heel wat logger en stompzinniger is dan in Rusland, waar je zo iemand tenminste nog eens kon omkopen met een knipoog of een borrel.
Smeken hielp ook niet, en we dropen af met een stapel formulieren. Nou, dat was me wat. Zo moest ik, afgezien van inenting tegen aids, rabiës en leukemie alsmede tijdige sterilisatie, akkoord gaan met ‘regelmatig en onverwacht huisbezoek’ van het asielpersoneel. Tevens verstrekte ik de namen en geslachten van al mijn voormalige katten, met de leeftijd en oorzaak van overlijden, de telefoonnummers van mijn huisbaas, werkgever en dierenarts, en de leeftijden van mijn kinderen, plus de verzekering dat ook zij de dieren ‘volledig toegewijd’ zouden zijn.
Ook garandeerde ik zwart op wit de katjes niet op te eten, en ook niet te gebruiken als lokaas bij hondengevechten, als ‘materiaal voor bontartikelen’, of als inzet van ‘rituele slachting’. Last but not least moest ik beloven dat ik geen seks met ze zou hebben. Nou, vooruit dan maar. Ik stuurde de fax en wachtte.
Een week later kwam het vonnis: afgekeurd. Ik had namelijk ingevuld dat we de katten op verzoek buiten zouden laten spelen, in onze tuin. En dat mocht niet? ‘Natuurlijk niet,’ sprak de vrouw aan de telefoon. ‘Katten moeten te allen tijde binnen blijven. Buiten kan ze van alles overkomen. Ze kunnen remvloeistof drinken, uit een auto. Of afgeleid worden door een vlinder, en dan van een schutting vallen. Wanneer we bij u langskomen en de katten buiten aantreffen, krijgt u 750 dollar boete. Per kat. En dan nemen we ze mee terug naar het asiel.’
Ik had graag een paar levens gered, maar er zijn grenzen. Ik hing op en haalde met mijn juichende kinderen twee poesjes uit een nest bij vage kennissen.
Een broertje en een zusje, gratis, zonder dat er verder vragen werden gesteld. Ze zijn erg lief.
Maar ik moet telkens denken aan Melody en Merle.
Hopelijk is er in de poezenhemel een hele grote tuin.