Thuis
Nederland is het gewoonste land ter wereld, behalve als je er, wonend in Amerika, op vakantie gaat. Dan blijkt opeens dat de ijskasten, biefstukken, huizen en kopjes koffie er heel klein zijn, de mannen en de sperziebonen juist heel groot, dat je er zelfs van je allerbeste vrienden niet achter komt wat hun nettomaandinkomen is, terwijl je dat in Amerika zelfs van de tante van je overburen wél weet, dat je in augustus op het strand van Zandvoort een vestje aan moet, dat Scheveningse meeuwen liever gefrituurde mosselen eten dan rauwe, maar wél op precies dezelfde manier hun grauwgele voetjes bij het vliegen onder zich inklappen als de meeuwen in bijvoorbeeld Annapolis, die misschien óók wel liever gefrituurde mosselen zouden eten, als die in Annapolis te krijgen zouden zijn. Dat ze in Zaltbommel filet americain verkopen, en in New York niet, dat het ongebruikelijk is aan een Haagse caissière te vragen hoe het vandaag met haar gaat, en dat die zich op háár beurt niet geroepen voelt om je boodschappen razendsnel in 47 plastic tasjes te verpakken, laat staan dat er een breed lachende mongool die tasjes voor je naar je auto draagt, laat staan dat er überhaupt een parkeerplaats voor die auto is, zodat je beter op de fiets kunt gaan, behalve dat je dat fietsen zodanig verleerd bent dat je de hele tijd in de tramrails terechtkomt, waarna je verder maar beverig lópend boodschappen doet, en evengoed voortdurend door fietsers wordt overreden. En dat Nederland het enige land ter wereld is waar ze écht kaas kunnen maken, behalve dan misschien Frankrijk, maar Fransen hebben al kapsones genoeg, en trouwens, dáár hebben ze weer geen bitterballen.
Dit alles en nog veel meer stond ik te overdenken op Schiphol, na drie weken vakantie in mijn vaderland, met mijn complete gezin en een gele tas vol taxfree-kaas, die merkwaardigerwijs, hoewel er steevast ‘special offer!’ op staat, altijd ruim twee keer zo duur is als de (betere) kaas uit de Haagse Fahrenheitstraat, een straat die verder weinig charmes heeft, maar waar ik op dat moment véél liever zou zijn dan op Schiphol, wachtend op de vlucht naar Washington, die eindeloos vertraagd was, een feit dat de dames van de klm net zolang verzwegen tot de uitgeputte passagiers met ze op de vuist dreigden te gaan, waarna één zo’n hemelsblauwe blondine met kordate ballonkuiten op een kratje ging staan en de kolkende menigte toeriep dat het toestel pas over vier uur zou opstijgen, wat niet eens zo slecht uitkwam want het gaf mij de gelegenheid om in de trein op en neer naar Amsterdam te rijden en huisgenoot P.’s zoveelste vergeten telefoon bij vrienden op te halen.
Toen ik er nét was, belde P. in paniek (met iemand anders telefoon) en riep: ‘Het vliegtuig vertrekt tóch!’, waarop ik in een taxi sprong en een kwartier later hijgend Schiphol binnen rende, waar het vliegtuig alsnog níét bleek te vertrekken, en nee, ze wisten niet wanneer dan wél. Mijn kinderen en alle andere kinderen sloegen nog wat snerpender aan het drenzen, en we kregen van de blauwe meisjes ieder een troostend bedoelde consumptiebon ter waarde van vijf euro, een bedrag waarvoor je op Schiphol net een flesje water koopt. Een kléín flesje. Allerlei uitheemse passagiers met tulbanden keken verbijsterd naar het schertsbedrag, en de stewardessen maakten zich wijselijk uit de voeten, waarschijnlijk om ergens in een comfortabele lounge een piloot te gaan pijpen.
Weer zes uur later mocht iedereen eindelijk het vliegtuig in, en nóg twee uur later sprak een nichterige steward lijzig: ‘Ik heb geen kip meer. Erwin, heb jij nog kip? Iedereen moet opeens kip. Mevrouw, u wilt toch geen kip?’ Ik wou geen kip. Ik wou naar huis.